A1 · Modale werkwoorden · ca. 4 min
De zes modale werkwoorden van het Duits
kunnen, moeten, mogen, zullen, willen, lusten
Eén onregelmatig patroon, zes werkwoorden en een hoofdwerkwoord dat achteraan in de zin wacht.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (2) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig5
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- anrufenopbellen
- losaan de hand (in “was ist los?”); los, weg
- der Rauchde rook
- schwimmenzwemmen
- das Jahrhet jaar
Begrijpen
Onthoudich en er zijn gelijk: geen uitgang, geen -t.
- Signaalwoorden
- kann
- muss
- darf
- soll
- will
- mag
- konnte
- musste
- möchte
De vorm
Zo maak je de vormen
Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.
stam (regelmatig) stam (onregelmatig) tijdskenmerk persoonsuitgang
| ik kan | ich kann |
| jij kunt, je kan | du kannst |
| hij, zij, het kan | er, sie, es kann |
| wij kunnen | wir können |
| jullie kunnen | ihr könnt |
| zij kunnen; “u kunt” (Sie) | sie, Sie können |
| ik moet | ich muss |
| jij moet | du musst |
| hij, zij, het moet | er, sie, es muss |
| wij moeten | wir müssen |
| jullie moeten | ihr müsst |
| zij moeten; “u moet” (Sie) | sie, Sie müssen |
| ik mag | ich darf |
| jij mag | du darfst |
| hij, zij, het mag | er, sie, es darf |
| wij mogen | wir dürfen |
| jullie mogen | ihr dürft |
| zij mogen; “u mag” (Sie) | sie, Sie dürfen |
| ik wil | ich will |
| jij wilt, je wil | du willst |
| hij, zij, het wil | er, sie, es will |
| wij willen | wir wollen |
| jullie willen | ihr wollt |
| zij willen; “u wilt” (Sie) | sie, Sie wollen |
| ik kon | ich konnte |
| jij kon | du konntest |
| hij, zij, het kon | er, sie, es konnte |
| wij konden | wir konnten |
| jullie konden | ihr konntet |
| zij konden; “u kon” (Sie) | sie, Sie konnten |
| verleden tijd (Präteritum) | konnte, musste, durfte, wollte, sollte, mochte |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaat
Het modale werkwoord wordt vervoegd en het hoofdwerkwoord staat achteraan als infinitief, zonder zu.
Ich kann heute nicht kommen.Ik kan vandaag niet komen.
De vormen bij ich en er hebben geen uitgang, en in het enkelvoud verandert de klinker.
Er muss noch arbeiten.Hij moet nog werken.
In gesprekken gebruik je de onvoltooid verleden tijd: konnte, musste, wollte.
Wir konnten nicht anrufen.We konden niet bellen.
Een modaal werkwoord kan alleen staan als het hoofdwerkwoord vanzelf spreekt.
Ich muss jetzt nach Hause.Ik moet nu naar huis.
Voorbeeldzinnen
Kannst du mir das erklären?Kun je me dat uitleggen?
Wir müssen um sieben los.We moeten om zeven uur weg.
Hier darf man nicht rauchen.Hier mag je niet roken.
Meer voorbeeldzinnen (10)
Was willst du trinken?Wat wil je drinken?
Du solltest zum Arzt gehen.Je zou naar de dokter moeten gaan.
Ich kann leider nicht länger bleiben.Ik kan helaas niet langer blijven.
Musst du wirklich schon gehen?Moet je echt al gaan?
Darf ich Sie kurz stören?Mag ik u even storen?
Sie will nächstes Jahr studieren.Ze wil volgend jaar gaan studeren.
Wir sollen uns um acht treffen.We moeten om acht uur afspreken.
Er mochte den Film nicht.Hij vond de film niet leuk.
Das kann nicht stimmen.Dat kan niet kloppen.
Ich wollte dich gerade anrufen.Ik wilde je net bellen.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Bijna elk Duits werkwoord heeft in de derde persoon een -t: er macht, er kommt, net als “hij maakt”, “hij komt”. Bij de modale werkwoorden ontbreekt die, en de hand schrijft hem er uit gewoonte toch bij: er kannt. Hier helpt je Nederlands juist: je zegt ook niet “hij kant” of “hij wilt”. De vorm bij ich en bij er is gelijk — ich kann, er kann, ich muss, er muss, ich will, er will.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 11 · De drie geslachtenTerug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Een modaal werkwoord beschrijft zelf geen handeling, maar zegt iets over het andere werkwoord: of iets mogelijk, nodig, toegestaan, gewenst of aan te raden is. Het modale werkwoord krijgt de persoonsuitgang, het hoofdwerkwoord staat als kale infinitief aan het eind van de zin. Dat is precies zoals in het Nederlands: “ik kan vandaag niet komen” is Ich kann heute nicht kommen.
Alle zes hebben in het enkelvoud hetzelfde onregelmatige patroon: de klinker verandert (behalve bij sollen) en de vormen bij ich en er hebben geen uitgang. Ich kann, du kannst, er kann — niet er kannt. Ook dat herken je: in het Nederlands is het “ik kan, hij kan”, niet “hij kant”. Het meervoud is regelmatig en lijkt op de infinitief. Nieuw is vooral de du-vorm met -st: du kannst, du darfst, du willst.
Twee verschillen verdienen aandacht. In de bijzin staat het vervoegde modale werkwoord in het Duits helemaal achteraan, na de infinitief: weil er heute arbeiten muss, waar het Nederlands “omdat hij vandaag moet werken” zegt. En in de verleden tijd gebruiken Duitsers bij modale werkwoorden ook in gesprekken het Präteritum (onvoltooid verleden tijd): ich konnte, ich musste, ich wollte. Niemand zegt in een gesprek ich habe gekonnt, dus dit zijn de eerste verledentijdsvormen die je echt nodig hebt.
Goed om te weten2
Goed om te weten
Vergelijking met het Nederlands: de werkwoorden in de bijzin
In een Nederlandse bijzin mag het modale werkwoord voor de infinitief staan: “omdat hij moet werken”. In het Duits kan dat niet. Het hoofdwerkwoord komt eerst, het vervoegde modale werkwoord sluit de zin af: weil er arbeiten muss, dass ich nicht kommen kann. Draai de Nederlandse volgorde dus om, dan klopt het.
Ich weiß, dass er heute arbeiten muss.Ik weet dat hij vandaag moet werken.
Goed om te weten
Twee valse vrienden: dürfen en mögen
Het Nederlandse “mogen” heet in het Duits dürfen: “mag ik hier zitten?” is Darf ich hier sitzen?. Het Duitse mögen betekent iets anders, namelijk “houden van, lusten”, zoals in het Nederlandse “ik mag hem wel”: Ich mag Kaffee. En sollen lijkt op “zullen”, maar betekent meestal “moeten volgens iemand anders”. Alleen in de vraag om hulp aan te bieden lopen ze gelijk: Soll ich helfen? — “zal ik helpen?”.
Darf ich hier sitzen? Ich mag Kaffee.Mag ik hier zitten? Ik houd van koffie.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: müssen · können · kommen · gehen · dürfen · sollen · wollen · arbeiten