A2 · Voorzetsels · ca. 4 min
Wisselvoorzetsels: in, auf
waar tegenover waarheen
Dativ voor een plaats, Akkusativ voor een beweging — één vraag beslist alle negen.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (3) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig6
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- sitzenzitten
- die Flaschede fles
- stellenzetten (rechtop)
- schmalsmal
- der Wegde weg
- die Küchede keuken
Begrijpen
Onthoudwo — Dativ. wohin — Akkusativ.
- Signaalwoorden
- in
- an
- auf
- über
- unter
- vor
- hinter
- neben
- zwischen
- wo
- wohin
De vorm
De patronen in één oogopslag
Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.
| waar — Dativ | Das Bild hängt an der Wand. |
| waarheen — Akkusativ | Ich hänge das Bild an die Wand. |
| werkwoorden van toestand — Dativ | liegen, stehen, sitzen, hängen |
| werkwoorden van plaatsen — Akkusativ | legen, stellen, setzen, hängen |
| samengetrokken vormen | im, am, ins, ans, aufs, vors |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
De Dativ antwoordt op wo — waar iets is.
Wir sitzen im Garten.We zitten in de tuin.
De Akkusativ antwoordt op wohin — waar iets heen gaat.
Wir gehen in den Garten.We gaan de tuin in.
liegen, stehen, sitzen en hängen beschrijven een toestand en nemen de Dativ.
Die Flasche steht auf dem Tisch.De fles staat op tafel.
legen, stellen, setzen en hängen beschrijven het neerzetten en nemen de Akkusativ.
Stell die Flasche auf den Tisch.Zet de fles op tafel.
Voorbeeldzinnen
Der Schlüssel liegt auf dem Tisch.De sleutel ligt op tafel.
Ich lege den Schlüssel auf den Tisch.Ik leg de sleutel op tafel.
Sie wohnt in der Stadt.Ze woont in de stad.
Meer voorbeeldzinnen (10)
Sie fährt in die Stadt.Ze gaat naar de stad.
Zwischen den Häusern ist ein schmaler Weg.Tussen de huizen is een smal pad.
Das Bild hängt über dem Sofa.Het schilderij hangt boven de bank.
Häng das Bild bitte über das Sofa.Hang het schilderij alsjeblieft boven de bank.
Die Katze schläft unter dem Bett.De kat slaapt onder het bed.
Der Ball ist unter das Bett gerollt.De bal is onder het bed gerold.
Wir warten vor dem Kino.We wachten voor de bioscoop.
Stell dich bitte neben mich.Kom alsjeblieft naast me staan.
Im Sommer sind wir oft am See.In de zomer zijn we vaak bij het meer.
Setz dich doch ans Fenster.Ga toch bij het raam zitten.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
De foute zin is grammaticaal en betekent iets anders: Ich gehe in der Küche is “ik loop rond in de keuken”, niet “ik ga de keuken in”. Omdat beide zinnen bestaan, verbetert niemand je. En let op “zetten”: rechtop is het stellen, op een stoel is het setzen.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 34 · Sterke werkwoorden: drie vormen met wisselende klinkerTerug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Negen voorzetsels nemen de ene of de andere naamval: in, an, auf, über, unter, vor, hinter, neben, zwischen. Welke, is geen eigenschap van het voorzetsel, maar een vraag aan de zin.
Vraag wo? — waar is het? — en het antwoord is Dativ. Vraag wohin? — waarheen? — en het antwoord is Akkusativ. Das Buch liegt auf dem Tisch is een plaats; ich lege das Buch auf den Tisch is een beweging ernaartoe. Het Nederlands maakt dat verschil soms met “in” en “naar binnen” of “erop” en “erheen”, maar niet in het lidwoord.
Het werkwoord verraadt het meestal. Het Duits heeft drie paren: liegen/legen, stehen/stellen, sitzen/setzen, plus hängen voor beide. Het Nederlands heeft liggen/leggen en staan/zetten, zitten/zetten — één “zetten” voor twee Duitse werkwoorden.
Nader bekeken
Wat de twee naamvallen eigenlijk markeren
De Dativ doet hier wat hij overal doet: iets markeren als kader in plaats van als doel. De Akkusativ markeert een doel. De wisselvoorzetsels zijn dus geen uitzondering op het naamvalssysteem maar het duidelijkste voorbeeld ervan.
Het Nederlands markeert het verschil met de plaats van het voorzetsel: “in de kamer” tegenover “de kamer in”, “op het dak” tegenover “het dak op”. Die achteropgeplaatste vorm is een goede toets: kun je hem in het Nederlands gebruiken, dan is het in het Duits Akkusativ.
Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
Uitzondering
Als het een tijdsbepaling met in, an of vor is
dan staat altijd de Dativ: in einer Woche, am Montag, vor drei Jahren.
Vor drei Jahren sind wir hergezogen.Drie jaar geleden zijn we hierheen verhuisd.
Waarom? Tijd wordt behandeld als kader, niet als bestemming.
Uitzondering
Als het werkwoord een vast voorzetsel heeft — warten auf, denken an, sich freuen auf
dan ligt de naamval vast en heeft hij niets met beweging te maken.
Ich warte auf den Bus.Ik wacht op de bus.
Waarom? Het voorzetsel beschrijft dan geen plaats meer, dus de vraag wo of wohin past niet.
Goed om te weten2
Goed om te weten
De samengetrokken vormen verschillen per naamval
De Dativ-vormen zijn im, am, vorm, hinterm, unterm; de Akkusativ-vormen ins, ans, aufs, vors, übers. De samentrekking zelf verraadt dus de naamval: bedoelde je een beweging en schreef je im, dan klopt er iets niet.
Ich gehe ins Kino und sitze im Kino.Ik ga naar de bioscoop en zit in de bioscoop.
Goed om te weten
Drie paren werkwoorden, en één dat beide doet
Liegen – legen, stehen – stellen, sitzen – setzen: het eerste is sterk en beschrijft een toestand, het tweede is zwak en beschrijft het neerzetten. Hängen doet beide en onderscheidt ze in zijn vormen: hingvoor de toestandhängtevoor de handeling — zoals “hing” en “hing op”
Das Bild hing an der Wand; ich hängte es dorthin.Het schilderij hing aan de muur; ik hing het daar op.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · stehen · gehen · fahren · sitzen · stellen · wohnen