Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A1  ·  Tijden  ·  ca. 5 min

Het Perfekt: de verleden tijd van het gesprek

het gesproken verleden

Een vorm van haben of sein plus een voltooid deelwoord achteraan — zo vertellen Duitsers over gisteren.

Deze woorden heb je nodig4

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • gesterngisteren
  • wannwanneer
  • ankommenaankomen
  • der Fußde voet

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudBeweging en verandering nemen sein, al het andere neemt haben.

Wanneer
  1. Voor het verleden
  2. Het verleden
  3. Verleden dat doorwerkt
  4. Het heden
  5. De toekomst
  6. Voltooid in de toekomst

Het verleden — Iets wat gebeurd is, afgesloten is en blijft waar het gebeurde.

Signaalwoorden
  • habe
  • hat
  • bin
  • ist
  • ge-
  • -t
  • -en
  • gestern
  • letzte Woche

De vorm

Zo maak je de vormen

Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.

stam (regelmatig) tijdskenmerk hulpwerkwoord

ik heb gemaaktich habe gemacht
jij hebt gemaaktdu hast gemacht
hij / zij / het heeft gemaakter / sie / es hat gemacht
wij hebben gemaaktwir haben gemacht
jullie hebben gemaaktihr habt gemacht
zij / Sie hebben gemaaktsie / Sie haben gemacht
ik ben gereisdich bin gefahren
jij bent gereisddu bist gefahren
hij / zij / het is gereisder / sie / es ist gefahren
wij zijn gereisdwir sind gefahren
jullie zijn gereisdihr seid gefahren
zij / Sie zijn gereisdsie / Sie sind gefahren
zwak werkwoordmachen – gemacht – ich habe gemacht
sterk werkwoordsehen – gesehen – ich habe gesehen
met seinfahren – gefahren – ich bin gefahren
scheidbaar werkwoordankommen – angekommen – ich bin angekommen
zonder ge-verstehen – verstanden, telefonieren – telefoniert

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Het hulpwerkwoord staat op de tweede plaats, het voltooid deelwoord aan het eind van de zin.

    Ich habe gestern den ganzen Tag gearbeitet.Ik heb gisteren de hele dag gewerkt.

  2. Werkwoorden van beweging naar een plaats en van verandering van toestand nemen sein; alle andere nemen haben.

    Wir sind nach Hamburg gefahren.We zijn naar Hamburg gereden.

  3. Zwakke werkwoorden vormen het voltooid deelwoord met ge- … -t, sterke met ge- … -en.

    gekauft, getrunkengekocht, gedronken

  4. Werkwoorden met een onscheidbaar voorvoegsel en werkwoorden op -ieren krijgen geen ge-.

    Er hat das nicht verstanden.Hij heeft het niet begrepen.

Voorbeeldzinnen

Ich habe gestern einen Film gesehen.Ik heb gisteren een film gezien.

Wann bist du angekommen?Wanneer ben je aangekomen?

Sie hat mir nichts gesagt.Ze heeft me niets verteld.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Wir sind zu Fuß gegangen.We zijn te voet gegaan.

Hast du schon gegessen?Heb je al gegeten?

Was hast du am Wochenende gemacht?Wat heb je in het weekend gedaan?

Der Zug ist pünktlich angekommen.De trein is op tijd aangekomen.

Ich habe den Schlüssel verloren.Ik ben de sleutel kwijtgeraakt.

Sie ist erst um Mitternacht eingeschlafen.Ze is pas om middernacht in slaap gevallen.

Wir haben lange darüber gesprochen.We hebben er lang over gepraat.

Hat er dir geantwortet?Heeft hij je geantwoord?

Ich bin in Köln geboren.Ik ben in Keulen geboren.

Sie haben das Haus letztes Jahr gekauft.Ze hebben het huis vorig jaar gekocht.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Hier helpt het Nederlands je meestal goed: “ik ben naar Berlijn gereden” heeft ook een vorm van zijn, en dat zet je vanzelf om in ich bin nach Berlin gefahren. Het gaat mis bij werkwoorden waar het Nederlands met de betekenis speelt. Wij zeggen “ik heb de hele middag gefietst” of “ik heb twee uur gelopen”, met hebben, omdat er geen bestemming is. Het Duits kiest bij bewegingswerkwoorden bijna altijd sein, ook zonder bestemming: ich bin zwei Stunden gelaufen. Alleen met een lijdend voorwerp, zoals in ich habe das Auto gefahren, wordt het haben. Denk dus aan de beweging zelf, niet aan het doel.

Fout:Ich habe nach Berlin gefahren.
Goed:Ich bin nach Berlin gefahren.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 4. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 17 · “Sein” en “haben”: zijn en hebbenTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Het Perfekt (voltooid tegenwoordige tijd) is gebouwd zoals ons “ik heb gelezen”: een hulpwerkwoord op de tweede plaats en het voltooid deelwoord (Partizip II) aan het eind van de zin. Ich habe das Buch gelesen. Alles wat je verder nog wilt zeggen, komt daartussen: Ich habe gestern im Zug das Buch gelesen. Die tang om de zin heen ken je uit het Nederlands, dus de bouw zal je weinig moeite kosten.

Het verschil zit in hoe vaak je het gebruikt. In gesproken Duits is het Perfekt de gewone verleden tijd voor bijna alles, ook voor een verhaal met een hele reeks gebeurtenissen. Waar je in het Nederlands moeiteloos zegt “ik stond op, nam een douche en ging naar mijn werk”, kiest een Duitser in een gesprek liever ich bin aufgestanden, habe geduscht und bin zur Arbeit gegangen. Dat is geen slordigheid, maar de normale spreektaal.

De keuze tussen haben en sein loopt grotendeels gelijk met hebben en zijn. Werkwoorden van beweging naar een plaats en van verandering van toestand nemen sein: ich bin gefahren, ich bin eingeschlafen. Toch zijn er verraderlijke uitzonderingen, zoals “ik ben het vergeten” tegenover ich habe es vergessen en “ik ben begonnen” tegenover ich habe angefangen. Die leer je het best als losse woordjes.

Ook het voltooid deelwoord lijkt sterk op het Nederlandse. Zwakke werkwoorden krijgen ge- en -t (gemacht, gekauft), sterke werkwoorden ge- en -en, vaak met een andere klinker (gesehen, getrunken). Let op: het Duits kent geen keuze tussen -t en -d zoals in “gewerkt” en “gewoond”. Het is altijd -t: gearbeitet, gewohnt.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: hebben of zijn wijkt soms af

    Een handvol veelgebruikte werkwoorden kiest in de twee talen een ander hulpwerkwoord. Wij zeggen “ik ben het vergeten”, het Duits ich habe es vergessen. Wij zeggen “ik ben begonnen”, het Duits ich habe angefangen of ich habe begonnen. Wij zeggen “we zijn getrouwd”, het Duits wir haben geheiratet. En “ik ben gestopt” wordt ich habe aufgehört. Omgekeerd neemt het Duits sein bij lopen, zwemmen en wandelen, ook zonder bestemming. Schrijf deze werkwoorden het best meteen met hun hulpwerkwoord op.

    Ich habe den Termin vergessen.Ik ben de afspraak vergeten.

  2. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: het deelwoord sluit de zin af

    In een Nederlandse bijzin mag je kiezen: “omdat ik het heb gedaan” of “omdat ik het gedaan heb”. In het Duits is er maar één volgorde: het voltooid deelwoord eerst, het hulpwerkwoord helemaal achteraan. Weil ich es gemacht habe. Zeg je in het Nederlands meestal “heb gedaan”, dan moet je die volgorde in het Duits bewust omdraaien.

    Ich weiß, dass er angerufen hat.Ik weet dat hij heeft gebeld.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · sein · sehen · sagen · fahren · arbeiten · verstehen · kaufen

Verwante thema’s