A1 · Lidwoorden · ca. 4 min
Bezittelijke voornaamwoorden en hun uitgangen
“mein Buch, meine Tasche, meinen Schlüssel”
Zeven bezittelijke voornaamwoorden die verbuigen als ein — en één woord voor “haar”, “hun” en “uw”.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (2) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig5
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- die Taschetas; zak (in een kledingstuk)
- die Jackejas, jasje, jack
- der Waldhet bos
- die Kartede kaart, de pinpas
- besuchenbezoeken
Begrijpen
OnthoudHet woord hoort bij de eigenaar, de uitgang bij het bezit.
- Signaalwoorden
- mein
- dein
- sein
- ihr
- unser
- euer
- Ihr
De vorm
De patronen in één oogopslag
Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.
| ich → mein (mijn) | mein Buch, meine Tasche |
| du → dein (jouw) | dein Buch, deine Tasche |
| er, es → sein (zijn) | sein Buch, seine Tasche |
| sie → ihr (haar) | ihr Buch, ihre Tasche |
| wir → unser, ihr → euer (ons, jullie) | unser Haus, euer Haus |
| sie, Sie → ihr, Ihr (“hun”, “uw”) | ihre Sachen, Ihre Sachen |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Bezittelijke voornaamwoorden krijgen dezelfde uitgangen als ein en kein.
Ich sehe meinen Bruder.Ik zie mijn broer.
De uitgang richt zich naar het bezit, niet naar de eigenaar.
sein Buch, seine Taschezijn boek, zijn tas
In de Nominativ (eerste naamval) en de Akkusativ (vierde naamval) krijgt het meervoud altijd -e, welk geslacht het ook is.
meine Bücher, meine Taschenmijn boeken, mijn tassen
Ihr met hoofdletter is de beleefde vorm, “uw”.
Ist das Ihr Mantel?Is dat uw jas?
Voorbeeldzinnen
Das ist mein Bruder.Dat is mijn broer.
Wo ist deine Jacke?Waar is je jas?
Sie hat ihren Schlüssel vergessen.Ze is haar sleutel vergeten.
Meer voorbeeldzinnen (8)
Unser Haus liegt am Wald.Ons huis ligt aan de rand van het bos.
Haben Sie Ihre Karte dabei?Hebt u uw kaart bij u?
Mein Name ist Anna.Mijn naam is Anna.
Hast du deinen Ausweis dabei?Heb je je identiteitsbewijs bij je?
Er besucht seine Eltern.Hij gaat bij zijn ouders op bezoek.
Ihre Antwort hat mich überrascht.Haar antwoord verraste me.
Wir haben unser Auto verkauft.We hebben onze auto verkocht.
Wo sind eure Sachen?Waar zijn jullie spullen?
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Voor Nederlandstaligen zit de valkuil zelden in de keuze van het woord: de eigenaar is een vrouw, dus “haar”, dus ihr — dat gaat vanzelf. Het misgaat bij de uitgang. Der Schlüssel is mannelijk en staat hier in de Akkusativ (vierde naamval), dus wordt het ihren. Wie halverwege aan het mannelijke woord Schlüssel denkt, glijdt soms uit naar seinen, omdat “mannelijk” en “zijn” in het hoofd samenvallen. Neem daarom twee losse beslissingen: eerst het woord kiezen op basis van de eigenaar, daarna de uitgang op basis van het bezit.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 32 · De toekomende tijd (Futur I) en wanneer je hem niet nodig hebtTerug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Het Duits heeft voor elke persoon een bezittelijk voornaamwoord: mein (mijn), dein (jouw), sein (zijn), ihr (haar), unser (ons, onze), euer (jullie), ihr (hun) en Ihr (“uw”). Ze krijgen allemaal precies dezelfde uitgangen als ein en kein. Wie het patroon van ein kent, heeft ze dus meteen allemaal.
Bij het kiezen van het woord helpt het Nederlands je goed. Net als bij “zijn” en “haar” hangt de keuze tussen sein en ihr af van de eigenaar: een man heeft sein Buch, een vrouw ihr Buch. Nieuw is de uitgang. Die richt zich naar wat er bezeten wordt: sein Buch, maar seine Tasche, seinen Schlüssel. Het Nederlands kent alleen het verschil tussen “ons” en “onze”; het Duits past elke vorm aan geslacht, getal en naamval aan.
Eén woord doet in het Duits drie taken. Ihr betekent “haar”, “hun” en — met hoofdletter — “uw”. Pas op voor verwarring met het persoonlijk voornaamwoord ihr, dat “jullie” betekent; het bijbehorende bezittelijke voornaamwoord is euer.
Goed om te weten2
Goed om te weten
Vergelijking met het Nederlands: ons en onze, maar zes vormen van unser
Het Nederlands heeft bij “ons” één verschil: “ons huis” tegen “onze tuin”. Het Duits heeft veel meer vormen: unser Haus, unsere Wohnung, unseren Garten, unserem Kind. Toch is je gevoel voor “ons” en “onze” een goed begin: het laat zien dat ook een bezittelijk voornaamwoord zich naar het zelfstandig naamwoord kan richten. Het Duits doet dat alleen bij alle voornaamwoorden en in alle naamvallen.
Wir haben unseren Garten verkauft.We hebben onze tuin verkocht.
Goed om te weten
Namen krijgen een -s zonder apostrof
Annas Buch, Peters Auto — in het Duits zonder apostrof, in het Nederlands vaak ook (“Peters boek”), maar met apostrof na een klinker (“Anna’s boek”). Die Nederlandse apostrof neem je dus niet mee. Een apostrof komt in het Duits alleen voor als de naam al op een s-klank eindigt: Hans’ Buch. In de spreektaal hoor je vaker das Buch von Anna, zoals jij “het boek van Anna” zegt.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · liegen · sehen · vergessen