Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A1  ·  Lidwoorden  ·  ca. 4 min

Bezittelijke voornaamwoorden en hun uitgangen

“mein Buch, meine Tasche, meinen Schlüssel”

Zeven bezittelijke voornaamwoorden die verbuigen als ein — en één woord voor “haar”, “hun” en “uw”.

Deze woorden heb je nodig5

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • die Taschetas; zak (in een kledingstuk)
  • die Jackejas, jasje, jack
  • der Waldhet bos
  • die Kartede kaart, de pinpas
  • besuchenbezoeken

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudHet woord hoort bij de eigenaar, de uitgang bij het bezit.

Signaalwoorden
  • mein
  • dein
  • sein
  • ihr
  • unser
  • euer
  • Ihr

De vorm

De patronen in één oogopslag

Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.

ich → mein (mijn)mein Buch, meine Tasche
du → dein (jouw)dein Buch, deine Tasche
er, es → sein (zijn)sein Buch, seine Tasche
sie → ihr (haar)ihr Buch, ihre Tasche
wir → unser, ihr → euer (ons, jullie)unser Haus, euer Haus
sie, Sie → ihr, Ihr (“hun”, “uw”)ihre Sachen, Ihre Sachen

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Bezittelijke voornaamwoorden krijgen dezelfde uitgangen als ein en kein.

    Ich sehe meinen Bruder.Ik zie mijn broer.

  2. De uitgang richt zich naar het bezit, niet naar de eigenaar.

    sein Buch, seine Taschezijn boek, zijn tas

  3. In de Nominativ (eerste naamval) en de Akkusativ (vierde naamval) krijgt het meervoud altijd -e, welk geslacht het ook is.

    meine Bücher, meine Taschenmijn boeken, mijn tassen

  4. Ihr met hoofdletter is de beleefde vorm, “uw”.

    Ist das Ihr Mantel?Is dat uw jas?

Voorbeeldzinnen

Das ist mein Bruder.Dat is mijn broer.

Wo ist deine Jacke?Waar is je jas?

Sie hat ihren Schlüssel vergessen.Ze is haar sleutel vergeten.

Meer voorbeeldzinnen (8)

Unser Haus liegt am Wald.Ons huis ligt aan de rand van het bos.

Haben Sie Ihre Karte dabei?Hebt u uw kaart bij u?

Mein Name ist Anna.Mijn naam is Anna.

Hast du deinen Ausweis dabei?Heb je je identiteitsbewijs bij je?

Er besucht seine Eltern.Hij gaat bij zijn ouders op bezoek.

Ihre Antwort hat mich überrascht.Haar antwoord verraste me.

Wir haben unser Auto verkauft.We hebben onze auto verkocht.

Wo sind eure Sachen?Waar zijn jullie spullen?

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Voor Nederlandstaligen zit de valkuil zelden in de keuze van het woord: de eigenaar is een vrouw, dus “haar”, dus ihr — dat gaat vanzelf. Het misgaat bij de uitgang. Der Schlüssel is mannelijk en staat hier in de Akkusativ (vierde naamval), dus wordt het ihren. Wie halverwege aan het mannelijke woord Schlüssel denkt, glijdt soms uit naar seinen, omdat “mannelijk” en “zijn” in het hoofd samenvallen. Neem daarom twee losse beslissingen: eerst het woord kiezen op basis van de eigenaar, daarna de uitgang op basis van het bezit.

Fout:Sie sucht seinen Schlüssel. (meaning her own)
Goed:Sie sucht ihren Schlüssel.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 32 · De toekomende tijd (Futur I) en wanneer je hem niet nodig hebtTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Het Duits heeft voor elke persoon een bezittelijk voornaamwoord: mein (mijn), dein (jouw), sein (zijn), ihr (haar), unser (ons, onze), euer (jullie), ihr (hun) en Ihr (“uw”). Ze krijgen allemaal precies dezelfde uitgangen als ein en kein. Wie het patroon van ein kent, heeft ze dus meteen allemaal.

Bij het kiezen van het woord helpt het Nederlands je goed. Net als bij “zijn” en “haar” hangt de keuze tussen sein en ihr af van de eigenaar: een man heeft sein Buch, een vrouw ihr Buch. Nieuw is de uitgang. Die richt zich naar wat er bezeten wordt: sein Buch, maar seine Tasche, seinen Schlüssel. Het Nederlands kent alleen het verschil tussen “ons” en “onze”; het Duits past elke vorm aan geslacht, getal en naamval aan.

Eén woord doet in het Duits drie taken. Ihr betekent “haar”, “hun” en — met hoofdletter — “uw”. Pas op voor verwarring met het persoonlijk voornaamwoord ihr, dat “jullie” betekent; het bijbehorende bezittelijke voornaamwoord is euer.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: ons en onze, maar zes vormen van unser

    Het Nederlands heeft bij “ons” één verschil: “ons huis” tegen “onze tuin”. Het Duits heeft veel meer vormen: unser Haus, unsere Wohnung, unseren Garten, unserem Kind. Toch is je gevoel voor “ons” en “onze” een goed begin: het laat zien dat ook een bezittelijk voornaamwoord zich naar het zelfstandig naamwoord kan richten. Het Duits doet dat alleen bij alle voornaamwoorden en in alle naamvallen.

    Wir haben unseren Garten verkauft.We hebben onze tuin verkocht.

  2. Goed om te weten

    Namen krijgen een -s zonder apostrof

    Annas Buch, Peters Auto — in het Duits zonder apostrof, in het Nederlands vaak ook (“Peters boek”), maar met apostrof na een klinker (“Anna’s boek”). Die Nederlandse apostrof neem je dus niet mee. Een apostrof komt in het Duits alleen voor als de naam al op een s-klank eindigt: Hans’ Buch. In de spreektaal hoor je vaker das Buch von Anna, zoals jij “het boek van Anna” zegt.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · liegen · sehen · vergessen

Verwante thema’s