De grammatica als kaart
Twee beelden van dezelfde stof: de tijden op een tijdlijn, en alle thema’s (108) per niveau. Elk vakje is een link.
De tijden op een tijdlijn
De as is de tijd. Links wat al voorbij was toen het vertelde gebeurde; in het midden het nu; rechts wat nog komt. Elke werkwoordstijd hangt op het punt waarover hij iets zegt — “toekomst” is hier geen hoofdstuktitel maar een halte, dezelfde halte waar elke taal iets anders neerzet.
Daaronder liggen de vormen die op geen enkele halte kunnen staan. Een toekomende vorm voor een vermoeden, een verleden vorm voor beleefdheid, een als-zin waarvan de voorwaarde de vorm voorschrijft: de naam zegt dan niets over het tijdstip, en dat is geen uitzondering maar de halve reden waarom werkwoordstijden moeilijk zijn.
Druk op een niveau om alleen dat niveau te tonen; druk nog eens om alles terug te halen.
Voor het verleden1
Wat al voorbij was toen het verhaal daar aankwam.
Het verleden4
Iets wat gebeurd is, afgesloten is en blijft waar het gebeurde.
Verleden dat doorwerkt1
Iets wat eerder begon of gebeurde en nu nog geldt of ertoe doet.
Het heden1
Wat op dit moment geldt, wat aan de gang is of wat altijd zo is.
De toekomst1
Wat nog moet komen – beloofd, gepland of alleen vermoed.
Als en zou1
Hier bepaalt de voorwaarde de vorm, niet de plek op de tijdlijn.
Alleen in naam een tijd1
Een toekomende vorm voor een vermoeden, een verleden vorm uit beleefdheid: de naam zegt niets over wanneer.
Welke vorm wanneer1
Thema’s die niet één vorm uitleggen, maar de keuze tussen twee.
Alle grammatica per niveau
Nu is het niveau de as: van A1 tot B1 een band per niveau, met de onderdelen onder elkaar. Zo toont één beeld wat elk niveau aan elk onderdeel toevoegt — “wat komt er op B1 bij het werkwoord bij?” is nergens anders in één oogopslag te beantwoorden.
Een leeg vak is informatie en geen gat: dat er op A1 niets over de lijdende vorm staat, hoort bij het beeld.