Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A2  ·  Woordvolgorde  ·  ca. 4 min

De eerste plaats (Vorfeld)

“Morgen fahre ich.” “Nach Berlin fahre ich morgen.”

Precies één zinsdeel staat voor het werkwoord — en welk je kiest, is een keuze, geen formaliteit.

Deze woorden heb je nodig1

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • oftvaak

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudEén ding voor het werkwoord, nooit twee.

Signaalwoorden
  • heute
  • morgen
  • dann
  • deshalb
  • in
  • weil
  • wenn

De vorm

De patronen in één oogopslag

Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.

onderwerp eerstIch fahre morgen.
tijd eerstMorgen fahre ich.
plaats eerstIn Berlin wohnt sie.
voorwerp eerstDen Film kenne ich.
bijzin eerstWenn es regnet, bleiben wir hier.

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaat

  1. Precies één zinsdeel staat voor het vervoegde werkwoord.

    Heute Abend kommen sie.Vanavond komen ze.

  2. Wat er ook vooraan staat, het werkwoord blijft tweede, en een onderwerp dat niet eerst staat, volgt erop.

    Morgen fahre ich weg.Morgen ga ik weg.

  3. Een hele bijzin telt als één zinsdeel.

    Weil es regnet, bleiben wir hier.Omdat het regent, blijven we hier.

  4. De eerste plaats markeert waar de zin over gaat.

    Den Wein hat er mitgebracht.De wijn heeft hij meegebracht.

Voorbeeldzinnen

Gestern war ich im Kino.Gisteren was ik in de bioscoop.

In Hamburg regnet es oft.In Hamburg regent het vaak.

Das Buch habe ich schon gelesen.Dat boek heb ik al gelezen.

Meer voorbeeldzinnen (8)

Deshalb komme ich später.Daarom kom ik later.

Als ich ankam, war alles vorbei.Toen ik aankwam, was alles voorbij.

Am Wochenende bleiben wir zu Hause.In het weekend blijven we thuis.

Diesen Film kenne ich nicht.Deze film ken ik niet.

Zum Glück war niemand verletzt.Gelukkig was er niemand gewond.

Nach dem Essen gehen wir spazieren.Na het eten gaan we wandelen.

Ihm habe ich nichts gesagt.Hem heb ik niets gezegd.

Trotzdem hat es funktioniert.Toch heeft het gewerkt.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Staat een voorwerp op de eerste plaats, dan houdt het zijn Akkusativ. Wie het eerste zelfstandig naamwoord als onderwerp leest, kiest de Nominativ — maar het Duits leest de uitgang, niet de plaats. Het werkwoord beslist: habe hoort bij ich, dus ich is het onderwerp en de film moet den Film zijn: Den Film habe ich gesehen.

Fout:Der Film habe ich schon gesehen.
Goed:Den Film habe ich schon gesehen.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 60 · Onscheidbare werkwoorden: be-, ver-Terug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Een Duitse hoofdzin heeft het vervoegde werkwoord op de tweede plaats en precies één zinsdeel ervoor. Dat hoeft niet het onderwerp te zijn: een tijd, een plaats, een voorwerp of een hele bijzin kan ook. Twee dingen kunnen het niet zijn.

Ich fahre morgen nach Berlin, Morgen fahre ich nach Berlin en Nach Berlin fahre ich morgen zijn allemaal goed en zeggen hetzelfde met een andere nadruk. Wat vooraan staat, is waar de zin over gaat. Dat kent het Nederlands ook.

Het Duits heeft daarbij één hulpmiddel dat het Nederlands mist: naamvallen. Den Mann is overal herkenbaar als voorwerp, dus kan het zonder verwarring vooraan staan: Den Mann kenne ich nicht. In het Nederlands is “de man ken ik niet” mogelijk, maar alleen de betekenis maakt duidelijk wie wie kent.

Nader bekeken

Wat “één zinsdeel” betekent

Een zinsdeel kan lang zijn. Der Mann mit dem blauen Mantel is één zinsdeel, net als am nächsten Montag um halb neun of een hele bijzin. De lengte doet er niet toe; het gaat erom of de woorden samen één vraag beantwoorden.

De test is vervangen. Kan het hele stuk door één woord vervangen worden — er, dann, dort — dan is het één zinsdeel en mag het vooraan. Zijn er twee woorden nodig, dan zijn het twee zinsdelen en moet er één achter het werkwoord.

Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
  1. Uitzondering

    Als de zin begint met und, aber, oder, denn of sondern

    dan tellen die woorden niet als eerste plaats.

    Aber ich komme trotzdem.Maar ik kom toch.

    Waarom? De vijf nevenschikkende voegwoorden staan buiten de zin die ze verbinden.

  2. Uitzondering

    Als de eerste plaats bewust leeg blijft

    dan is de zin een vraag of een opdracht.

    Kommst du mit? Komm mit!Kom je mee? Kom mee!

    Waarom? Een ja-neevraag en een gebiedende wijs beginnen met het werkwoord zelf.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    es houdt de plaats open

    Wil niets vooraan staan, dan zet het Duits es als plaatshouder: Es kamen viele Gäste. Zodra iets anders vooraan komt, verdwijnt es: Gestern kamen viele Gäste. Het Nederlands gebruikt hier “er”: “er kwamen veel gasten”, maar “gisteren kwamen er veel gasten” — het Nederlandse “er” blijft staan, het Duitse es niet.

  2. Goed om te weten

    Nadruk zonder klemtoon

    Het Duits kan nadruk met de stem leggen, maar doet het vaker met de plaats: Ihn habe ich gesehen. De woordvolgorde doet wat de intonatie anders zou doen; daarom kan geschreven Duitse dialoog zo expressief zijn zonder cursief.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: kommen · sein · haben · regnen · bleiben · fahren · lesen

Verwante thema’s