Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Onregelmatige Duitse werkwoorden

Alle 80, met hun drie vormen, de Nederlandse betekenis en telkens een voorbeeldzin — geordend naar wat er werkelijk verandert, niet naar het alfabet.

Waarom niet alfabetisch

De gebruikelijke lijst heeft drie kolommen op alfabetische volgorde. Je vindt er iets in als je al weet wat je zoekt — om te leren deugt hij slecht, want hij verzwijgt de enige ordening die er hier is. Het zijn er 80, maar het zijn geen losse gevallen. De meeste vallen in groepen waarin dezelfde verandering optreedt, en wie de groep kent, kent meteen meerdere werkwoorden.

abc Rood met een golflijn: het deel dat verandert ten opzichte van de grondvorm. Wat regelmatig blijft, staat in gewone letters.

Werkwoorden: 80.

i – a – u

Werkwoorden: 10

De netste familie van het Duits en de beste om mee te beginnen. Je kent haar al: “zingen – zong – gezongen” is singen – sang – gesungen, “drinken – dronk – gedronken” is trinken – trank – getrunken, “vinden – vond – gevonden” is finden – fand – gefunden. Waar het Nederlands twee keer o heeft, zegt het Duits eerst a en dan u. Alleen schwimmen, beginnen en gewinnen houden in het voltooid deelwoord (Partizip II) de o, net als in het Nederlands: geschwommen, begonnen, gewonnen.

GrondvormVerleden tijdVoltooid deelwoordNederlandsNiveau
singensanggesungenzingenA2

Wir haben den ganzen Abend gesungen.We hebben de hele avond gezongen.

trinkentrankgetrunkendrinkenA1

Er hat nur Wasser getrunken.Hij heeft alleen water gedronken.

findenfandgefundenvindenA1

Ich habe den Schlüssel gefunden.Ik heb de sleutel gevonden.

springenspranggesprungenspringenA2

Sie ist über den Zaun gesprungen.Ze is over het hek gesprongen.

klingenklanggeklungenklinkenB1

Das hat merkwürdig geklungen.Dat klonk vreemd.

sinkensankgesunkenzinken; dalen (prijzen, temperatuur)B1

Die Preise sind gesunken.De prijzen zijn gedaald.

verschwindenverschwandverschwundenverdwijnenB1

Die Katze ist wieder verschwunden.De kat is weer verdwenen.

gewinnengewanngewonnenwinnenA2

Sie hat den ersten Preis gewonnen.Ze heeft de eerste prijs gewonnen.

beginnenbegannbegonnenbeginnenA2

Der Film hat schon begonnen.De film is al begonnen.

schwimmenschwammgeschwommenzwemmenA2

Wir sind im See geschwommen.We hebben in het meer gezwommen.

ei – i(e) – i(e)

Werkwoorden: 9

Het Duitse ei is in deze werkwoorden bijna altijd de Nederlandse ij: schreiben – “schrijven”, bleiben – “blijven”, schneiden – “snijden”. Waar het Nederlands “ij – ee – e” heeft (“schrijven – schreef – geschreven”), heeft het Duits ei – ie – ie (schreiben – schrieb – geschrieben). De tweede en derde vorm zijn gelijk, dus je onthoudt maar één wisseling. Of het een korte i wordt of een lange ie, hangt af van de medeklinker erna: biss, gebissen tegenover blieb, geblieben.

GrondvormVerleden tijdVoltooid deelwoordNederlandsNiveau
bleibenbliebgebliebenblijvenA1

Wir sind zu Hause geblieben.We zijn thuis gebleven.

schreibenschriebgeschriebenschrijvenA1

Ich habe ihr gestern geschrieben.Ik heb haar gisteren geschreven.

steigenstieggestiegenklimmen, stijgenB1

Die Temperatur ist gestiegen.De temperatuur is gestegen.

scheinenschiengeschienenschijnen; lijkenB1

Die Sonne hat den ganzen Tag geschienen.De zon heeft de hele dag geschenen.

leihenliehgeliehenlenen, uitlenenB1

Ich habe ihm das Auto geliehen.Ik heb hem de auto geleend.

beißenbissgebissenbijtenB1

Der Hund hat ihn gebissen.De hond heeft hem gebeten.

reitenrittgerittenpaardrijdenB1

Als Kind ist sie viel geritten.Als kind reed ze veel paard.

schneidenschnittgeschnittensnijden, knippenA2

Ich habe mir in den Finger geschnitten.Ik heb me in mijn vinger gesneden.

streitenstrittgestrittenruziemaken, twistenB1

Die beiden haben oft gestritten.Die twee hadden vaak ruzie.

ie – o – o

Werkwoorden: 10

Bijna Nederlands: “vliegen – vloog – gevlogen” is fliegen – flog – geflogen, “bieden – bood – geboden” is bieten – bot – geboten, “verliezen – verloor – verloren” is verlieren – verlor – verloren. Waar het Nederlands “ui” heeft (“ruiken”, “sluiten”, “schuiven”), staat in het Duits meestal ie: riechen, schließen, schieben. Een Duitse ie is een lange i, zoals in “vliegen”.

GrondvormVerleden tijdVoltooid deelwoordNederlandsNiveau
fliegenfloggeflogenvliegenA2

Wir sind nach Wien geflogen.We zijn naar Wenen gevlogen.

ziehenzoggezogentrekken; verhuizenB1

Sie sind nach Berlin gezogen.Ze zijn naar Berlijn verhuisd.

bietenbotgebotenbiedenB1

Man hat ihm eine Stelle geboten.Hem werd een baan aangeboden.

verlierenverlorverlorenverliezenA2

Ich habe meinen Ausweis verloren.Ik ben mijn identiteitsbewijs verloren.

schiebenschobgeschobenduwen, schuivenB1

Wir haben das Auto geschoben.We hebben de auto geduwd.

frierenfrorgefrorenhet koud hebben; bevriezenB1

Ich habe die ganze Nacht gefroren.Ik heb het de hele nacht koud gehad.

riechenrochgerochenruikenB1

Es hat nach Rauch gerochen.Het rook naar rook.

schließenschlossgeschlossensluitenA2

Der Laden hat um sechs geschlossen.De winkel ging om zes uur dicht.

gießengossgegossengieten; water geven (planten)B1

Ich habe die Blumen gegossen.Ik heb de planten water gegeven.

wiegenwoggewogenwegenB1

Das Paket hat vier Kilo gewogen.Het pakket woog vier kilo.

e – a – o / e – a – e

Werkwoorden: 16

Hier valt bijna niets te leren: “spreken – sprak – gesproken”, “nemen – nam – genomen”, “breken – brak – gebroken” lopen precies als sprechen – sprach – gesprochen, nehmen – nahm – genommen, brechen – brach – gebrochen. Ook de kleinere groep die terugkeert naar e kent het Nederlands: “geven – gaf – gegeven”, “lezen – las – gelezen”. Nieuw is alleen de tegenwoordige tijd: deze werkwoorden veranderen hun klinker al bij du en er (du sprichst, er gibt), waar het Nederlands gewoon “je spreekt, hij geeft” zegt.

GrondvormVerleden tijdVoltooid deelwoordNederlandsNiveau
sprechensprachgesprochenspreken, pratenA1

Wir haben lange gesprochen.We hebben lang gepraat.

nehmennahmgenommennemenA1

Ich habe den früheren Zug genommen.Ik heb de vroegere trein genomen.

helfenhalfgeholfenhelpenA2

Er hat mir sehr geholfen.Hij heeft me enorm geholpen.

treffentrafgetroffenontmoeten; rakenA2

Wir haben uns gestern getroffen.We hebben elkaar gisteren ontmoet.

brechenbrachgebrochenbrekenB1

Er hat sich den Arm gebrochen.Hij heeft zijn arm gebroken.

stehlenstahlgestohlenstelenB1

Man hat ihr das Rad gestohlen.Haar fiets is gestolen.

sterbenstarbgestorbensterven, overlijdenB1

Er ist im Winter gestorben.Hij is in de winter overleden.

werfenwarfgeworfengooien, werpenB1

Sie hat mir den Ball geworfen.Ze gooide me de bal toe.

essenaßgegessenetenA1

Wir haben schon gegessen.We hebben al gegeten.

gebengabgegebengevenA1

Sie hat mir das Buch gegeben.Ze heeft me het boek gegeven.

lesenlasgelesenlezenA1

Ich habe es zweimal gelesen.Ik heb het twee keer gelezen.

sehensahgesehenzienA1

Hast du den Film gesehen?Heb je de film gezien?

vergessenvergaßvergessenvergetenA2

Ich habe den Termin vergessen.Ik ben de afspraak vergeten.

bittenbatgebetenvragen (om)A2

Ich habe ihn um Hilfe gebeten.Ik heb hem om hulp gevraagd.

liegenlaggelegenliggenA2

Das Buch hat auf dem Tisch gelegen.Het boek lag op tafel.

sitzensaßgesessenzittenA2

Wir haben draußen gesessen.We hebben buiten gezeten.

a – u – a / a – ie – a

Werkwoorden: 11

Deze komen terug waar ze begonnen: het voltooid deelwoord heeft dezelfde klinker als het hele werkwoord. Ook dat ken je: “dragen – droeg – gedragen” is tragen – trug – getragen, “vallen – viel – gevallen” is fallen – fiel – gefallen, “slapen – sliep – geslapen” is schlafen – schlief – geschlafen. Waar het Nederlands “oe” heeft, staat in het Duits u. De meeste krijgen in de tegenwoordige tijd een Umlaut (fahren – du fährst, schlafen – er schläft), en die ä verraadt dat het werkwoord sterk is.

GrondvormVerleden tijdVoltooid deelwoordNederlandsNiveau
fahrenfuhrgefahrenrijden; gaan (met een voertuig)A1

Wir sind mit dem Zug gefahren.We zijn met de trein gegaan.

tragentruggetragendragenA2

Sie hat den Koffer allein getragen.Ze heeft de koffer alleen gedragen.

schlagenschluggeschlagenslaanB1

Die Uhr hat zwölf geschlagen.De klok sloeg twaalf.

wachsenwuchsgewachsengroeienB1

Der Baum ist schnell gewachsen.De boom is snel gegroeid.

waschenwuschgewaschenwassenA2

Ich habe die Wäsche gewaschen.Ik heb de was gedaan.

fallenfielgefallenvallenA2

Der Schlüssel ist gefallen.De sleutel is gevallen.

haltenhieltgehaltenhouden; stoppenA2

Der Zug hat nicht gehalten.De trein stopte niet.

lassenließgelassenlaten; achterlatenA2

Ich habe den Schirm zu Hause gelassen.Ik heb mijn paraplu thuis laten liggen.

schlafenschliefgeschlafenslapenA1

Ich habe gut geschlafen.Ik heb goed geslapen.

ratenrietgeratenaanraden; radenB1

Er hat mir davon abgeraten.Hij heeft het me afgeraden.

fangenfinggefangenvangenB1

Er hat den Ball gefangen.Hij heeft de bal gevangen.

Elk op zich

Werkwoorden: 24

Hier helpt geen reeks. Hier staan de gemengde werkwoorden — zwakke uitgang, veranderde klinker — en de handvol die overal onregelmatig zijn. Ook hier helpt het Nederlands vaak: “brengen – bracht – gebracht” en “denken – dacht – gedacht” zijn bringen – brachte – gebracht en denken – dachte – gedacht, alleen met een Duitse -e erachter. De modale werkwoorden lijken op de Nederlandse, maar betekenen niet altijd hetzelfde: lees de opmerkingen bij mögen, dürfen en sollen.

GrondvormVerleden tijdVoltooid deelwoordNederlandsNiveau
seinwargewesenzijnA1

Ich bin noch nie dort gewesen.Ik ben er nog nooit geweest.

habenhattegehabthebbenA1

Wir haben keine Zeit gehabt.We hadden geen tijd.

werdenwurdegewordenwordenA1

Es ist kalt geworden.Het is koud geworden.

gehenginggegangengaan, lopen (te voet)A1

Wir sind zu Fuß gegangen.We zijn te voet gegaan.

stehenstandgestandenstaanA2

Er hat lange am Fenster gestanden.Hij heeft lang bij het raam gestaan.

tuntatgetandoenA2

Ich habe nichts getan.Ik heb niets gedaan.

kommenkamgekommenkomenA1

Sie ist zu spät gekommen.Ze kwam te laat.

rufenriefgerufenroepenA2

Wir haben einen Arzt gerufen.We hebben een dokter laten komen.

heißenhießgeheißenheten; betekenenA1

Wie hat der Ort geheißen?Hoe heette die plaats?

laufenliefgelaufenlopen; hardlopenA2

Wir sind den ganzen Weg gelaufen.We hebben de hele weg gelopen.

bringenbrachtegebrachtbrengenA2

Sie hat uns Blumen gebracht.Ze heeft ons bloemen gebracht.

denkendachtegedachtdenkenA2

Ich habe an dich gedacht.Ik heb aan je gedacht.

kennenkanntegekanntkennenA2

Ich habe ihn kaum gekannt.Ik kende hem nauwelijks.

nennennanntegenanntnoemenB1

Sie hat kein Datum genannt.Ze heeft geen datum genoemd.

rennenranntegeranntrennenB1

Er ist zum Bus gerannt.Hij rende naar de bus.

brennenbranntegebranntbrandenB1

Das Licht hat die ganze Nacht gebrannt.Het licht heeft de hele nacht gebrand.

wissenwusstegewusstwetenA2

Das habe ich nicht gewusst.Dat wist ik niet.

mögenmochtegemochthouden van, lusten, leuk vindenA1

Sie hat ihn von Anfang an gemocht.Ze mocht hem vanaf het begin.

könnenkonntegekonntkunnenA1

Das habe ich nicht gekonnt.Dat kon ik niet.

müssenmusstegemusstmoetenA1

Ich habe leider gemusst.Ik moest helaas.

dürfendurftegedurftmogenA2

Das hat er nicht gedurft.Dat mocht hij niet.

sollensolltegesolltmoeten (van iemand), horen teA2

Das hat sie nicht gesollt.Dat had ze niet moeten doen.

wollenwolltegewolltwillenA1

Das habe ich nicht gewollt.Dat heb ik niet gewild.

verstehenverstandverstandenbegrijpen, verstaanA1

Ich habe die Frage nicht verstanden.Ik heb de vraag niet begrepen.

Oefen de drie vormen

Eén grondvorm, twee ontbrekende vormen. Alleen wat je schrijft telt — aanhalingstekens, hoofdletters en spaties worden door de vingers gezien, niet afgestraft.