Woordvorming in het Duits: voorvoegsels en achtervoegsels
Een woordenschat groeit op twee manieren. De ene is nieuwe woorden leren – dat is de langzame. De andere zijn de bouwstenen op deze pagina (28): wie één woord kent en een paar daarvan, heeft meteen een hele familie. Het Nederlands werkt net zo, vaak zelfs met verwante bouwstenen (-heit en -heid, -lich en -lijk).
De achtervoegsels zijn daarbij belangrijker dan de voorvoegsels, om een reden die je zelden leest: ze vertellen je de woordsoort. Zo kun je een onbekend woord in de zin plaatsen voordat je weet wat het betekent.
Ontkennende delen
Niet, zonder, vrij van: hier doen het Duits en het Nederlands bijna hetzelfde — un- is “on-”, -los is “-loos”, -frei is “-vrij”.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| un- | niet; het tegendeel van (zoals “on-”) | unfreundlich, unhöflich, unsicher, ungeduldig, unehrlich |
| Het Nederlandse “on-” in een Duitse jas: unfreundlich“onvriendelijk”unsicher“onzeker”ungeduldig“ongeduldig”unehrlich“oneerlijk”unhöflich“onbeleefd” Bij een zelfstandig naamwoord kan het ook “slecht” betekenen, zoals in “onweer” en “onkruid”: das Unwetter, das Unkraut. Maar let op: das Unwetter is noodweer; gewoon onweer heet das Gewitter. | ||
| -los | zonder; met een gebrek aan (zoals “-loos”) | kostenlos, arbeitslos, hilflos, mutlos, kabellos |
| De tweeling van “-loos”, vaak zelfs hetzelfde woord: arbeitslos“werkloos”hilflos“hulpeloos”mutlos“moedeloos”kabellos“draadloos” Waar het Nederlands een “e” tussenvoegt (“hulpeloos”, “moedeloos”), plakt het Duits direct aan elkaar; arbeitslos krijgt juist een s, die bij geen van beide delen hoort. kostenlos is “gratis, kosteloos”, nooit “vrij” zoals in een vrije avond. | ||
| -frei | vrij van iets ongewensts (zoals “-vrij”) | laktosefrei, steuerfrei, alkoholfrei, barrierefrei, rauchfrei |
| Precies het Nederlandse “-vrij”: laktosefrei“lactosevrij”rauchfrei“rookvrij”steuerfrei“belastingvrij”alkoholfrei“alcoholvrij” Het verschil met -los is hetzelfde als tussen “-vrij” en “-loos”: -losmeldt een gebrek-freidat iets ongewensts ontbreekt barrierefrei betekent “drempelvrij, toegankelijk”. Let op de spelling: Laktose en Alkohol met een k. | ||
Onscheidbare voorvoegsels
be-, ver-, er-: blijven aan het werkwoord vast, krijgen geen klemtoon en geen ge- in het voltooid deelwoord (Partizip II) — net als “be-”, “ver-” en “ont-” in het Nederlands.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| be- | zorgt ervoor dat een werkwoord een lijdend voorwerp krijgt, zonder voorzetsel (zoals “be-”) | beantworten, bewohnen, besprechen, beschreiben, bezahlen |
| Het Nederlands doet hetzelfde: “antwoorden op een vraag” wordt “een vraag beantwoorden”, “over iets spreken” wordt “iets bespreken”. In het Duits: auf die Frage antworten → die Frage beantworten, über etwas sprechen → etwas besprechen. Ook hier geen ge- in het voltooid deelwoord (Partizip II): beantwortet, bezahlt, zoals “beantwoord”, “betaald”. Valkuil: bekommen is “krijgen”, niet “bekomen”. | ||
| ver- | verkeerd; verbruikt of weg; in een nieuwe toestand (zoals “ver-”) | verschlafen, verlaufen, verbrauchen, verkaufen, verlängern |
| Je kent het van “ver-”: verkaufen“verkopen”verbrauchen“verbruiken”verlängern“verlengen”verschlafen“zich verslapen” De betekenis loopt vaak gelijk op, de vorm niet altijd: het Nederlands zegt “ik heb me verslapen”, het Duits zonder mich: Ich habe verschlafen. En sich verlaufen is “verdwalen” (te voet); een verlopen paspoort is abgelaufen. Nooit ge-: verkauft, verlängert. | ||
| er- | tot een resultaat | erreichen, erkennen, erfinden, erleben, ertrinken |
| Het Nederlands heeft hier soms ook “er-” (“ervaren”), maar meestal een ander woord: erreichen “halen, bereiken”, erfinden “uitvinden”, erleben “beleven, meemaken”. Het voegt een uitkomst toe: trinken → ertrinken “verdrinken”. Valkuil: erkennen is “herkennen”; het Nederlandse “erkennen” is anerkennen. Geen ge-: erreicht, erkannt. | ||
Scheidbare voorvoegsels
Met klemtoon, in de hoofdzin achteraan, en ge- en zu komen ertussen: angekommen, anzurufen — zoals “aangekomen”, “op te bellen”. Dit ken je al.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| an- | naar, aan; beginnen (zoals “aan-”) | ankommen, anrufen, anfangen, anziehen, anmachen |
| Dit is het Nederlandse “aan-”: ankommen“aankomen”anziehen“aantrekken”anmachen“aanzetten”anfangen“beginnen” Het werkt ook hetzelfde: in de hoofdzin achteraan (Der Zug kommt um acht an. “De trein komt om acht uur aan.”), in de bijzin aan elkaar (…, wann der Zug ankommt). ge- komt ertussen (angekommen), en zu ook, maar aan elkaar geschreven: anzurufen “op te bellen”. Let op: anrufen is “opbellen”, niet “aanroepen”. | ||
| mit- | mee, met je mee (zoals “mee-”) | mitkommen, mitnehmen, mitbringen, mitmachen, mitsingen |
| Het Nederlandse “mee-”: mitkommen“meekomen”mitnehmen“meenemen”mitbringen“meebrengen”mitmachen“meedoen” Alleen de vorm verschilt: het Nederlands maakt van “met” het deeltje “mee”, het Duits houdt mit: Kommst du mit? “Kom je mee?” | ||
| auf- | op; open; helemaal (vaak zoals “op-”) | aufstehen, aufmachen, aufräumen, aufhören, aufschreiben |
| Vaak het Nederlandse “op-”: aufstehen“opstaan”aufräumen“opruimen”aufessen“opeten”aufschreiben“opschrijven” Maar aufmachen is “opendoen”, niet “opmaken”, en aufhören is “ophouden, stoppen”. Het tegendeel van aufmachen is zumachen “dichtdoen”. | ||
| ab- | af, weg; naar beneden (vaak zoals “af-”) | abholen, abfahren, absagen, abnehmen, abschließen |
| Vaak het Nederlandse “af-”: absagen “afzeggen”, abnehmen “afnemen”, maar ook “afvallen” en “de telefoon opnemen”; abschließen “afsluiten”, dus een deur op slot doen of een opleiding afronden. Niet overal: abholen is “ophalen” en abfahren is “vertrekken”. In de hoofdzin achteraan, zoals je gewend bent: Ich hole dich ab. “Ik haal je op.” | ||
| aus- | uit; uitgeschakeld; tot het eind (zoals “uit-”) | aussteigen, ausgehen, aussuchen, ausmachen, ausziehen |
| Het Nederlandse “uit-”, bijna overal: aussteigen “uitstappen”, ausgehen “uitgaan”, aussuchen “uitzoeken”, ausmachen “uitdoen, uitzetten”, ausziehen “uittrekken; uit een woning vertrekken”. Leer ze in paren: einsteigen / aussteigen, anziehen / ausziehen. Verhuizen in het algemeen is umziehen. En etwas ausmachen betekent ook “iets afspreken”. | ||
| ein- | in, naar binnen (zoals “in-”) | einladen, einsteigen, einkaufen, einschlafen, einziehen |
| Het voorzetsel is in, het deeltje ein-: in den Bus, maar einsteigen “instappen”. einziehenis “intrekken” in een woningeinschlafen“in slaap vallen” Valkuil: einladen is “uitnodigen” (en ook “inladen”), en einkaufen is gewoon “boodschappen doen”. | ||
Achtervoegsels die zelfstandige naamwoorden maken
Ze zeggen wat voor woord het is en bijna altijd ook welk geslacht het heeft.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| -er | de persoon of het apparaat dat iets doet (zoals “-er”) | Lehrer, Fahrer, Spieler, Bäcker, Drucker |
| Net als het Nederlandse “-er”: der Spieler “de speler”, der Fahrer “de bestuurder, chauffeur”, der Drucker “de printer”. Altijd mannelijk, en het meervoud krijgt niets: der Lehrer, die Lehrer — geen “-s” zoals in “spelers”. Soms met Umlaut: backen → der Bäcker. Net als in het Nederlands geen lidwoord voor het beroep: Er ist Lehrer. | ||
| -in | de vrouwelijke vorm (zoals “-in”) | Lehrerin, Ärztin, Freundin, Kollegin, Köchin |
| Het Nederlands heeft “-in” ook (“vriendin”, “koningin”), maar gebruikt het bij beroepen weinig: een vrouw is vaak gewoon “leraar” of “arts”. Het Duits zegt bijna altijd -in: Sie ist Lehrerin. Sie ist Ärztin. Het meervoud verdubbelt de n: die Lehrerinnen. Sommige woorden krijgen een Umlaut: der Arzt → die Ärztin, der Koch → die Köchin. | ||
| -ung | zelfstandig naamwoord van een werkwoord: de handeling of het resultaat (zoals “-ing”) | Einladung, Rechnung, Lieferung, Wohnung, Bestellung |
| Het Nederlandse “-ing”: die Einladung“de uitnodiging”die Rechnung“de rekening”die Lieferung“de levering”die Bestellung“de bestelling”die Wohnung“de woning” Altijd vrouwelijk, en het meervoud is altijd -ungen, zoals “-ingen”: die Wohnungen. die Wohnung is meestal een appartement; een huis is das Haus. | ||
| -chen | klein, en vaak lief (zoals “-je”) | Brötchen, Kätzchen, Mädchen, Päckchen, Häuschen |
| Het Duitse “-je”, en net als bij “-je” altijd onzijdig: “het meisje”, das Mädchen; “het katje”, das Kätzchen. De stam krijgt meestal een Umlaut: das Brot → das Brötchen. Anders dan bij “-je” blijft het meervoud gelijk, zonder “-s”: die Brötchen. En het Duits verkleint veel minder vaak dan het Nederlands: een “biertje” is gewoon ein Bier. | ||
| -heit | zelfstandig naamwoord van een bijvoeglijk naamwoord: de eigenschap (zoals “-heid”) | Freiheit, Krankheit, Sicherheit, Wahrheit, Schönheit |
| De tweeling van “-heid”: die Freiheit“de vrijheid”die Wahrheit“de waarheid”die Schönheit“de schoonheid”die Sicherheit“de veiligheid” Net als “-heid” vrouwelijk, en ook -ung en -keit zijn dat. Maar het Nederlands heeft één vorm en het Duits twee: na “-ig” en “-lijk” (“mogelijkheid”, “vaardigheid”) zegt het Duits meestal -keit. Meervoud -heiten. | ||
| -keit | hetzelfde als -heit, na bepaalde uitgangen | Pünktlichkeit, Möglichkeit, Fähigkeit, Dankbarkeit, Einsamkeit |
| Ook “-heid”, en ook vrouwelijk. Het Duits kiest -keit na -ig, -lich, -bar en -sam: die Möglichkeit“de mogelijkheid”die Fähigkeit“de vaardigheid”die Dankbarkeit“de dankbaarheid”die Einsamkeit“de eenzaamheid” Een paar gewone bijvoeglijke naamwoorden krijgen -igkeit: genau → die Genauigkeit “de nauwkeurigheid”. | ||
| -schaft | een verhouding, een toestand of een groep (zoals “-schap”) | Freundschaft, Mannschaft, Nachbarschaft, Mitgliedschaft, Wissenschaft |
| Het Nederlandse “-schap”: die Freundschaft“de vriendschap”die Wissenschaft“de wetenschap”die Mitgliedschaft“het lidmaatschap”die Nachbarschaft“de buurt” Let op het geslacht: “-schap” is in het Nederlands soms onzijdig (“het lidmaatschap”, “het landschap”), -schaft is altijd vrouwelijk. En die Mannschaft is een team, geen “manschappen”. | ||
| -ei | de plek waar een vak wordt uitgeoefend (zoals “-erij”) | Bäckerei, Metzgerei, Brauerei, Käserei, Druckerei |
| Het Nederlandse “-erij”: die Bäckerei“de bakkerij”die Brauerei“de brouwerij”die Druckerei“de drukkerij”die Metzgerei“de slagerij” Het komt aan de persoon: der Bäcker → die Bäckerei, zoals “bakker” → “bakkerij”. Altijd vrouwelijk, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Aan een werkwoord als -erei klinkt het geïrriteerd: die Fragerei “dat eeuwige gevraag”. | ||
| -tion / -ität | leenwoorden: de Nederlandse woorden op “-tie” en “-iteit” | Situation, Information, Qualität, Universität, Realität |
| Bijna elk Nederlands woord op “-tie” of “-iteit” bestaat in het Duits op -tion of -ität: die Situation“de situatie”die Information“de informatie”die Qualität“de kwaliteit”die Universität“de universiteit” Ook het geslacht klopt: allemaal vrouwelijk. Wat verandert: de spelling (-tion, -ität met ä, Qu waar het Nederlands “kw” schrijft), de klemtoon, die op de laatste lettergreep ligt, en de uitspraak: -tion klinkt als “tsioon”. | ||
Achtervoegsels die bijvoeglijke naamwoorden maken
Iets wat iets heeft, ergens bij hoort of gedaan kan worden — vaak met een Nederlandse tweeling: -lich en “-lijk”, -bar en “-baar”, -ig en “-ig”.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| -ig | met iets; vol van iets (zoals “-ig”) | sonnig, windig, salzig, lustig, schmutzig |
| Hetzelfde achtervoegsel als in het Nederlands: sonnig “zonnig”, salzig “zout”, lustig “grappig, vrolijk”, schmutzig “vies, smerig”. Soms wijkt het woord af: windig is “winderig”. Uitspraak: aan het eind klinkt -ig in het standaardduits als de ch in ich, niet als de Nederlandse g; in het zuiden hoor je vaak een k. | ||
| -lich | zoals iets, op die manier; elke dag, week of jaar (zoals “-lijk”) | freundlich, täglich, ehrlich, gefährlich, herzlich |
| De tweeling van “-lijk”: freundlich“vriendelijk”ehrlich“eerlijk”gefährlich“gevaarlijk”herzlich“hartelijk”täglich“dagelijks” Bij het laatste zegt het Duits täglich zonder s, ook als bijwoord. Veel stammen krijgen een Umlaut: der Tag → täglich, die Gefahr → gefährlich. | ||
| -isch | behorend bij; van een land of taal | Duits, typisch, praktisch, kindisch, altmodisch |
| Het Nederlands heeft “-isch” ook (“typisch”, “praktisch”), maar bij landen en talen zegt het “-s”: “Engels”, “Italiaans”. Het Duits zegt Duits, italienisch, niederländisch — en schrijft het bijvoeglijk naamwoord klein, anders dan het Nederlands: “typisch Engels”, typisch Duits. Alleen de taal als zelfstandig naamwoord krijgt een hoofdletter: Sie spricht Niederländisch. Over mensen kan het kritisch klinken: kindlich“kinderlijk”kindisch“kinderachtig” | ||
| -bar | kan gedaan worden (zoals “-baar”) | essbar, trinkbar, lesbar, bezahlbar, machbar |
| Het Nederlandse “-baar”, en net zo productief: essbar“eetbaar”trinkbar“drinkbaar”lesbar“leesbaar”bezahlbar“betaalbaar”machbar“haalbaar” Neem een werkwoord met een lijdend voorwerp, laat -en vallen en zet er -bar achter. De ontkenning gaat met un-, zoals met “on-”: unlesbar“onleesbaar”unbezahlbar“onbetaalbaar” — in beide talen ook “van onschatbare waarde” | ||
Achtervoegsels die werkwoorden maken
Werkwoorden uit andere talen: -ieren is het Nederlandse “-eren”.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| -ieren | werkwoorden van leenstammen (zoals “-eren”) | reservieren, reparieren, studieren, funktionieren, diskutieren |
| Het Nederlandse “-eren”: reservieren “reserveren”, reparieren “repareren”, studieren “studeren”, funktionieren “functioneren, werken”, diskutieren “discussiëren”. Het Duits schrijft ie en legt daar de klemtoon. Het voltooid deelwoord (Partizip II) krijgt geen ge-: reserviert, repariert, waar het Nederlands “gereserveerd” zegt. En studieren is studeren aan een hogeschool of universiteit; leren voor een toets (in Vlaanderen ook “studeren”) is lernen. | ||
Achtervoegsels die bijwoorden maken
De meeste Duitse bijwoorden hebben geen uitgang. Dit zijn de uitzonderingen.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| -s | op dat tijdstip, als gewoonte | abends, morgens, nachts, montags, sonntags |
| Dit ken je van “’s avonds”, “’s nachts” en “’s maandags”: abends, nachts, montags. Alleen zonder apostrof en zonder “’s” vooraan; de s staat achteraan. Klein geschreven, ook al komt het van een zelfstandig naamwoord: montags, maar am Montag. nachts krijgt de s ook al is die Nacht vrouwelijk. | ||
Tussenklank in samenstellingen
Het laatste deel bepaalt het geslacht; de letter in het midden leer je met het woord, net als de “s” in “stadsbus”.
| Bouwsteen | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| -s- | een verbindende s tussen twee zelfstandige naamwoorden | Wohnungsschlüssel, Arbeitsplatz, Geburtstag, Zeitungsartikel, Liebesbrief |
| Het Nederlands kent de tussen-s ook (“stadsbus”, “dorpsplein”), maar het Duits gebruikt hem vaker: na -ung, -heit, -keit, -schaft, -tion en -ität altijd — der Wohnungsschlüssel, der Zeitungsartikel tegenover “krantenartikel”. Verder leer je hem met het woord: der Arbeitsplatz“de werkplek”der Geburtstag“de verjaardag” Het laatste deel bepaalt het geslacht, net als in het Nederlands: die Wohnung + der Schlüssel = der Wohnungsschlüssel. | ||