Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Valse vrienden Duits–Nederlands

Woorden die er vanuit het Nederlands vertrouwd uitzien en toch iets anders betekenen – hier staan er 42 bij elkaar. Deze lijst is andersom opgebouwd dan gebruikelijk: links staat wat je wilt zeggen, daarnaast het woord daarvoor in het Duits – en pas dan de valkuil. Wie alleen weet wat een woord niet betekent, staat midden in een gesprek nog steeds met een mond vol tanden.

In het dagelijks leven

De paren die je al in de eerste gesprekken tegenkomt.

Je bedoeltDat isNiet ditWant dat betekent
de mondder Mundder Mondde maan
Heute Nacht ist der Mond besonders hell.Vannacht is de maan bijzonder helder.Het Duits heeft hier gewoon de klinkers verwisseld: de mond is der Mund, de maan der Mond.
opbellenanrufenbellenblaffen
Der Hund des Nachbarn bellt die ganze Nacht.De hond van de buren blaft de hele nacht.Ich rufe dich morgen an is ik bel je morgen. De deurbel heet die Klingel, en aanbellen is klingeln.
de tasdie Taschedie Tassehet kopje
Möchtest du noch eine Tasse Kaffee?Wil je nog een kopje koffie?
de reisdie Reiseder Reisde rijst
Zum Fisch gibt es Reis und Salat.Bij de vis is er rijst en salade.
de tafelder Tischdie Tafelhet (school)bord; een reep
Die Lehrerin schreibt das Wort an die Tafel.De lerares schrijft het woord op het bord.Eine Tafel Schokolade is een reep chocola. Voor een feestelijk gedekte tafel bestaat die Tafel wel, maar gewoon is het der Tisch.
het meerder Seedas Meerde zee
Im Sommer fahren wir ans Meer.In de zomer gaan we naar zee.Let op het geslacht: der See is het meer, maar die See is weer de zee.
de zeedas Meerder Seehet meer
Hinter dem Dorf liegt ein kleiner See.Achter het dorp ligt een klein meer.
de winkeldas Geschäft, der Ladender Winkelde hoek
Das Dreieck hat einen rechten Winkel.De driehoek heeft een rechte hoek.Ook een rustig hoekje kan ein Winkel zijn. Een winkel in de stad is ein Geschäft.
de kastder Schrankder Kastende kist, de bak
Der Kasten Wasser steht im Keller.Het krat water staat in de kelder.In Zuid-Duitsland en Oostenrijk kan der Kasten ook een kast zijn; in het standaardduits is het der Schrank.
de kersdie Kirschedie Kerzede kaars
Auf dem Tisch brennt eine Kerze.Op tafel brandt een kaars.
het blik (conserven)die Doseder Blickde blik, het uitzicht
Vom Turm hat man einen schönen Blick über die Stadt.Vanaf de toren heb je een mooi uitzicht over de stad.
de doosdie Schachtel, der Kartondie Dosehet blik, het blikje
Die Dose Tomaten ist schon offen.Het blik tomaten is al open.
de lucht (boven je)der Himmeldie Luftde lucht (om in te ademen)
Mach das Fenster auf, wir brauchen frische Luft.Doe het raam open, we hebben frisse lucht nodig.Het Nederlandse “lucht” is beide. Is hij blauw of bewolkt, dan is het der Himmel: Der Himmel ist heute grau.
het raamdas Fensterder Raumde ruimte, het vertrek
Der Raum im Keller ist sehr klein.De ruimte in de kelder is heel klein.
de room (slagroom)die Sahneder Raumde ruimte, het vertrek
In diesem Raum findet der Kurs statt.In deze ruimte vindt de cursus plaats.Koffie met room is Kaffee mit Sahne. Het woord der Rahm bestaat ook, vooral in het zuiden.
de vloerder Bodender Flurde gang, de hal
Die Schuhe stehen im Flur.De schoenen staan in de gang.
de muur (binnen)die Wanddie Mauerde (buiten)muur
Um den Garten steht eine alte Mauer.Om de tuin staat een oude muur.Het Duits splitst wat het Nederlands samenneemt: een schilderij hangt an der Wand, een stenen muur buiten is die Mauer.
het bord (om van te eten)der Tellerdas Brettde plank; het (spel)bord
Die Kinder spielen ein Spiel auf dem Brett.De kinderen spelen een spel op het bord.
het kussendas Kissenküssenkussen (zoenen)
Zum Abschied küsst sie ihn auf die Wange.Bij het afscheid kust ze hem op de wang.Het Nederlands heeft één woord, het Duits twee: das Kissenligt op de bankküssendoe je met je mond
de stof (vuil)der Staubder Stoffde stof (textiel); de materie
Der Stoff für das Kleid ist sehr weich.De stof voor de jurk is heel zacht.
de eenddie Entedas Endehet einde
Am Ende des Films haben alle geweint.Aan het einde van de film moest iedereen huilen.
de ladderdie Leiterder Leiterde leider, het hoofd
Der Leiter des Kurses ist sehr freundlich.De leider van de cursus is heel vriendelijk.Hetzelfde woord, twee geslachten: die Leiteris de ladderder Leiterde leider
slimklugschlimmerg, ernstig
Der Unfall war schlimm, aber niemand ist gestorben.Het ongeluk was erg, maar er is niemand omgekomen.Nicht so schlimm! is niet zo erg! Een slimme oplossing is eine kluge Lösung.
eng (griezelig)unheimlichengnauw, krap
Die Hose ist mir zu eng.De broek zit me te krap.
de tuinder Gartender Zaunhet hek, de schutting
Der Hund springt über den Zaun.De hond springt over het hek.

Op het werk en bij de studie

Wat misgaat in een vergadering, een mail of op de universiteit.

Je bedoeltDat isNiet ditWant dat betekent
de baan (werk)die Stelle, der Jobdie Bahnde trein, het spoor; de baan (in de sport)
Ich fahre jeden Tag mit der Bahn ins Büro.Ik ga elke dag met de trein naar kantoor.Een baan zoeken is eine Stelle suchen. Die Bahn is meestal de trein of de spoorwegen.
het bureau (meubel)der Schreibtischdas Bürohet kantoor
Unser Büro liegt im dritten Stock.Ons kantoor ligt op de derde verdieping.
de afspraak (bij de dokter)der Termindie Absprachede overeenkomst, wat afgesproken is
Nach der Absprache mit dem Team ändern wir den Plan.Na overleg met het team veranderen we het plan.Een afspraak met vrienden is eine Verabredung. Der Termin is ook de datum van een vergadering of een deadline.
het examen (op school)die Prüfungdas Examenhet afsluitende examen aan het eind van een studie
Nach dem Examen sucht sie eine Stelle als Lehrerin.Na haar afstudeerexamen zoekt ze een baan als lerares.Voor een gewone toets of een examen op school zeg je die Prüfung of der Test.
bekwaamfähigbequemcomfortabel, gemakkelijk
Das Sofa ist sehr bequem.De bank zit heel comfortabel.Bequem kan ook lui of gemakzuchtig zijn: Er ist zu bequem, um zu laufen.
aanvragen (een vergunning)beantragenanfragennavragen, informeren
Ich möchte beim Hotel anfragen, ob noch ein Zimmer frei ist.Ik wil bij het hotel navragen of er nog een kamer vrij is.
de gift (schenking)die Spendedas Gifthet gif
Diese Pilze enthalten ein starkes Gift.Deze paddenstoelen bevatten een sterk gif.
de neef (zoon van oom of tante)der Cousinder Neffede neef (zoon van broer of zus)
Mein Neffe ist der Sohn meiner Schwester.Mijn neef is de zoon van mijn zus.Het Nederlands heeft één woord voor twee verwanten, het Duits twee: der Neffe en der Cousin. Voor ‘nicht’ net zo: die Nichte en die Cousine.

Bijna goed

Woorden die bestaan, alleen niet betekenen wat je wilt zeggen.

Je bedoeltDat isNiet ditWant dat betekent
dooftaubdoofdom, stom (spreektaal)
Ich finde den Film ziemlich doof.Ik vind de film nogal stom.
viesschmutzig; ekligfiesgemeen, akelig
Das war ein fieser Trick.Dat was een gemene truc.
raarkomisch, seltsamrarzeldzaam, schaars
Gute Handwerker sind in der Stadt rar geworden.Goede vaklui zijn in de stad zeldzaam geworden.
de kant (zijde)die Seitedie Kantede rand, de kant van een tafel
Er hat sich an der Kante des Tisches gestoßen.Hij heeft zich aan de rand van de tafel gestoten.
de zin (in een tekst)der Satzder Sinnde betekenis, het nut
Das hat doch keinen Sinn.Dat heeft toch geen zin.Ook “zin hebben in” is iets anders: Ich habe Lust auf ein Eis.
hard (snel)schnellharthard, stevig; streng
Das Brot ist schon hart geworden.Het brood is al hard geworden.“Hij rijdt te hard” is Er fährt zu schnell.
de meiddas Mädchendie Magdde dienstmeid, de boerenmeid (ouderwets)
Im Märchen arbeitet sie als Magd auf einem Hof.In het sprookje werkt ze als meid op een boerderij.
bekomen (van de schrik)sich erholenbekommenkrijgen
Zum Geburtstag hat sie ein Fahrrad bekommen.Voor haar verjaardag heeft ze een fiets gekregen.Dit is de valse vriend die het vaakst omgekeerd misgaat: bekommen is altijd krijgen, nooit worden.
de schotel (onder een kopje)die Untertassedie Schüsselde schaal, de kom
Die Suppe steht in einer großen Schüssel auf dem Tisch.De soep staat in een grote schaal op tafel.

Probeer het zelf