Om te lezen als je zin hebt — geen leerstof
Het Duits — een kort portret
Waar het Duits vandaan komt, hoe het door de eeuwen veranderde, waar het vandaag gesproken wordt — en wat er voor Nederlandstaligen makkelijk en moeilijk aan is.
- Taalfamilie
- Indo-Europees, West-Germaanse tak — dezelfde tak als het Nederlands
- Schrift
- Latijns alfabet met de letters ä, ö, ü en ß
- Officiële taal
- Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Liechtenstein, Luxemburg en België
- In Europa
- in de Europese Unie de meest gesproken moedertaal
- Verwante talen
- Nederlands, Fries, Engels, Luxemburgs en de Scandinavische talen
- Grammatica
- drie geslachten, vier naamvallen, lidwoorden die meebuigen, het werkwoord op de tweede plaats in de hoofdzin en aan het eind van de bijzin
- Gemeen met het Nederlands
- veel verwante woorden, dezelfde woordvolgorde in hoofd- en bijzin, scheidbare werkwoorden, Perfekt met “hebben” of “zijn”
Waar het vandaan komt
Het Duits is een Germaanse taal, net als het Nederlands, het Engels en het Zweeds. Ze gaan allemaal terug op de taal die Germaanse stammen zo’n tweeduizend jaar geleden in het noorden van Europa spraken. Binnen die familie staan het Nederlands en het Duits elkaar heel dicht: allebei West-Germaans, met een groot deel van de woordenschat gemeen. “Brood” en Brot, “water” en Wasser, “huis” en Haus zijn geen leenwoorden, maar dezelfde woorden die in twee richtingen verder zijn gegroeid.
Het contact met Rome liet in beide talen dezelfde sporen na. Alledaagse woorden als Fenster (Latijn “fenestra”, venster), Mauer (“murus”, muur), Straße (“strata”, straat) en Wein (“vinum”, wijn) kwamen uit het Latijn, toen de Germanen van de Romeinen leerden met steen te bouwen en wijn te verbouwen.
Wat het Duits van het Nederlands scheidt, is vooral een klankverschuiving die het zuiden en het midden van het taalgebied trof. Waar het Nederlands de oude t, p en k hield, veranderde het Duits ze: “tien” werd zehn, “appel” Apfel, “maken” machen, “dat” das. Het Nederduits in het noorden van Duitsland deed niet mee en klinkt daarom nog altijd dichter bij het Nederlands. Langs de grens liepen de dialecten eeuwenlang geleidelijk in elkaar over; de scherpe grens tussen de twee standaardtalen is veel jonger.
De geschiedenis in een paar stappen
De eerste teksten stammen uit de achtste tot de elfde eeuw; het zijn vooral verklaringen en vertalingen die in kloosters werden opgeschreven. Die periode heet het Oudhoogduits. Rond 1200 ontstaan in het Middelhoogduits de hoofse dichtkunst en het “Nibelungenlied”.
De grote ommekeer komt halverwege de vijftiende eeuw met de boekdrukkunst van Gutenberg in Mainz, en in de zestiende eeuw met de bijbelvertaling van Maarten Luther. Luther zocht een Duits dat iedereen kon begrijpen; zijn gedrukte en overal gelezen vertaling hielp een gemeenschappelijke schrijftaal boven de dialecten vast te leggen — ongeveer zoals de Statenbijbel dat voor het Nederlands deed.
In de negentiende eeuw groeide met de politieke eenheid ook de norm. Het woordenboek van Konrad Duden uit 1880 werd de maat voor correct schrijven, zoals bij ons het Groene Boekje. De spellinghervorming van 1996 vereenvoudigde een deel van de regels, bijvoorbeeld wanneer je ß en wanneer je ss schrijft.
De tijdlijn
- ca. 770
De “Abrogans” ontstaat, een Latijns-Duitse woordenlijst; hij geldt als het oudste bewaarde boek in het Duits.
- ca. 1200
Het “Nibelungenlied” ontstaat in het Middelhoogduits, de taal van de hoofse dichtkunst.
- ca. 1450
Johannes Gutenberg drukt in Mainz met losse letters. Gedrukte boeken verspreiden een gemeenschappelijke schrijftaal over de dialecten heen.
- 1534
De volledige bijbelvertaling van Maarten Luther verschijnt en wordt in alle Duitstalige streken gelezen.
- 1854
De gebroeders Grimm geven het eerste deel van hun grote Duitse woordenboek uit. Het is pas in 1961 af.
- 1880
Konrad Duden publiceert zijn spellingwoordenboek. In 1901 spreekt een conferentie gemeenschappelijke spellingregels af.
- 1996
Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland spreken een spellinghervorming af; daß wordt sindsdien dass.
Waar het vandaag gesproken wordt
Het Duits is officiële taal in Duitsland, Oostenrijk en Liechtenstein en een van de officiële talen in Zwitserland, Luxemburg en België. In België woont de Duitstalige Gemeenschap in het oosten van het land, rond Eupen en Sankt Vith. Ook in Zuid-Tirol in Italië wordt Duits gesproken.
Er is niet één standaardduits, maar er zijn er drie naast elkaar — een beetje zoals het Nederlands in Nederland en in Vlaanderen elk eigen woorden heeft. In Oostenrijk heet januari naast Januar ook Jänner, en een tomaat kan Paradeiser zijn; in Zwitserland gebruikt men geen ß en schrijft men Strasse. Zwitsers spreken in het dagelijks leven hun eigen dialecten, zo verschillend dat zelfs Noord-Duitsers ze moeilijk verstaan.
Ook in Duitsland zelf leven de dialecten, van het Beiers in het zuiden tot het Nederduits aan de kust. Op school, op het werk, bij instanties en in het nieuws gebruikt men de standaardtaal, en wie die kent, kan overal terecht. Het Duits in München of Stuttgart klinkt als een andere melodie; dat is normaal, en het oor went eraan.
Op de kaart
- Officiële taal of meerderheidstaal
- Belangrijke minderheid
- Klein land, als stip getekend
Officiële taal of meerderheidstaal
- België
- Duitsland
- Liechtenstein
- Luxemburg
- Oostenrijk
- Zwitserland
Belangrijke minderheid
- Italië
- Namibië
Nederlands en Duits: buren met een gedeelde geschiedenis
Eeuwenlang gingen woorden heen en weer over de grens, vaak met de handel en de scheepvaart. Het Duits nam uit het Nederlands onder andere zeemanswoorden over: der Matrose (“matroos”), die Jacht (“jacht”, het schip) en die Kombüse (“kombuis”) gelden als Nederlandse leenwoorden.
Omgekeerd gebruikt het Nederlands Duitse woorden die zo gewoon zijn geworden dat je ze nauwelijks meer opmerkt: “überhaupt”, “sowieso”, “kitsch”, “hamster”. Ook “fingerspitzengefühl” kom je in Nederlandse kranten tegen. Pas wel op: zulke woorden betekenen in het Duits niet altijd precies hetzelfde.
Duitsland is voor Nederland en België een van de grootste buren en handelspartners. Wie in de grensstreek woont, werkt of studeert, hoort Duits misschien elke dag — in de winkel, op het werk of bij de buren. Je staat er dus zelden alleen voor: vaak is er in de familie, onder collega’s of in de buurt iemand die beide talen kent.
Het schrift
Het Duits gebruikt hetzelfde Latijnse alfabet als het Nederlands, met vier extra tekens. De twee puntjes op ä, ö en ü heten Umlaut (ä, ö, ü) en hebben niets te maken met het Nederlandse trema in “ruïne” of “België”: ze veranderen de klinker zelf. Oorspronkelijk waren ze een kleine e boven de klinker, en daarom schrijft wie de toets niet heeft ae, oe of ue. De klanken van ö en ü ken je al: ze liggen dicht bij de Nederlandse “eu” en “uu”.
De ß, die Eszett heet, is volgens de meest gangbare verklaring ontstaan uit een verbinding van twee letters uit het oude schrift: een lange s en een z. Eeuwenlang had ze geen hoofdletter; sinds 2017 staan de officiële regels ook een hoofdletter ẞ toe. Heb je haar niet op je toetsenbord, dan schrijf je ss.
De Duitse spelling is redelijk regelmatig, maar volgens andere afspraken dan de Nederlandse — en juist omdat de woorden zo vertrouwd lijken, lees je ze makkelijk op zijn Nederlands. ei klinkt als “ai” en niet als “ij”, eu als “oi” en niet als “eu”, u als “oe” en niet als “u”, sch als “sj” en niet als “s-ch”, en z als “ts”. Het meest valt een andere gewoonte op: alle zelfstandige naamwoorden krijgen een hoofdletter — der Tisch, die Freiheit, das Essen. Een “ij” bestaat in het Duits niet; waar het Nederlands “ij” heeft, schrijft het Duits meestal ei: “tijd” en Zeit, “wijn” en Wein.
Wat er voor Nederlandstaligen makkelijk is
De woordenschat. Geen andere grote taal staat zo dicht bij het Nederlands. Duizenden woorden herken je meteen of met een kleine klankregel: “tijd” en Zeit, “maken” en machen, “water” en Wasser, “huis” en Haus. Vanaf de eerste dag kun je eenvoudige teksten grotendeels volgen.
De woordvolgorde. Het werkwoord op de tweede plaats in de hoofdzin, het werkwoord aan het eind van de bijzin, de scheidbare werkwoorden met het voorvoegsel achteraan — dat werkt in het Duits zoals in het Nederlands: Morgen rufe ich dich an., “Morgen bel ik je op.” Ook het Perfekt ken je: hulpwerkwoord plus voltooid deelwoord, met haben of sein, meestal op dezelfde plaatsen als “hebben” en “zijn”.
De klanken. De ch van Bach en Nacht ligt dicht bij de Nederlandse g en ch, ö en ü bij “eu” en “uu”, en het verschil tussen korte en lange klinkers kent het Nederlands ook. En wie in Nederland of Vlaanderen woont, hoort Duits vaker dan je misschien denkt: op tv, op vakantie, in de grensstreek.
Wat er voor Nederlandstaligen moeilijk is
De naamvallen. Het Nederlands heeft ze bijna helemaal opgegeven; het Duits gebruikt er vier, en ze zitten vooral in het lidwoord en in de uitgang van het bijvoeglijk naamwoord: der Mann, den Mann, dem Mann, mit dem alten Mann. Dat is nieuw en kost tijd. Daarbij komen drie geslachten in plaats van “de” en “het”, en die vallen lang niet altijd samen met het Nederlands: “de zon” is die Sonne, maar “de maan” der Mond en “het meisje” das Mädchen. De enige betrouwbare weg is elk zelfstandig naamwoord met lidwoord en meervoud te leren.
De nabijheid zelf. Omdat zoveel op elkaar lijkt, glipt het Nederlands er gemakkelijk tussendoor: een Nederlandse woordvolgorde met meerdere werkwoorden (…, dass er kommen kann, maar “dat hij kan komen”), een Nederlands geslacht, een valse vriend. bellen betekent “blaffen”, bekommen “krijgen” en das Gift “het gif”. Ook de beleefdheid werkt anders: het Duits zegt veel vaker en veel langer Sie dan het Nederlands “u” zegt — tegen collega’s, buren en in winkels.
De uitspraak en de spelling. ü en ö zijn niet moeilijk, maar je moet ze wel zien en schrijven, net als de ß. De Duitse g aan het begin van een woord is een harde [g] zoals in het Franse “garçon”, niet de Nederlandse keelklank, en de sch is een “sj”. Niets daarvan is onoverkomelijk; het zijn alleen dingen die het Nederlands je niet kant-en-klaar meegeeft.
Wist je dat?
Korte weetjes om je over te verbazen. Los verschijnen ze ook aan het eind van een oefenronde — ingeklapt, zodat ze niet storen.
- Het Duits schrijft elk zelfstandig naamwoord met een hoofdletter: der Tisch, die Freiheit, das Glück. Dat doen maar heel weinig talen ter wereld.
- Lange had de ß geen hoofdletter. Sinds 2017 staan de officiële spellingregels een hoofdletter ẞ toe.
- In Zwitserland en Liechtenstein wordt de ß helemaal niet gebruikt: men schrijft Strasse in plaats van Straße.
- De twee puntjes op ä, ö en ü waren oorspronkelijk een kleine e boven de letter — iets heel anders dan het trema in “ruïne”.
- Het Duits maakt lange woorden door kortere aan elkaar te schrijven, net als het Nederlands. Een wet in Mecklenburg-Voor-Pommeren heette Rindfleischetikettierungsüberwachungsaufgabenübertragungsgesetz, tot hij in 2013 werd afgeschaft.
- Woorden op -chen zijn altijd onzijdig. Daarom heeft das Mädchen, het meisje, het lidwoord das — precies zoals het Nederlandse verkleinwoord op -je altijd “het” krijgt.
- Een klankverschuiving scheidde het Duits van zijn buren: waar het Nederlands en het Engels t en p hielden, zegt het Duits Wasser (water), Apfel (appel) en zehn (tien).
- In het noorden deed het Nederduits (Plattdeutsch) niet mee aan die klankverschuiving. Het is als regionale taal beschermd door een Europees handvest en klinkt het Nedersaksisch in Groningen en Drenthe vertrouwd in de oren.
- Het Jiddisch is gegroeid uit middeleeuwse Duitse dialecten en wordt met Hebreeuwse letters geschreven.
- Het Engels leende kindergarten, angst, rucksack en zeitgeist uit het Duits. Het Nederlands kent er ook een paar: “überhaupt”, “sowieso” en “kitsch”.
- In de Verenigde Staten zeggen veel mensen Gesundheit als iemand niest — een woord dat rechtstreeks uit het Duits komt.
- De gebroeders Grimm verzamelden niet alleen sprookjes. In 1854 begonnen ze aan een Duits woordenboek waarvan de voltooiing meer dan honderd jaar duurde.
- Een mobiele telefoon heet in het Duits Handy: een woord dat Engels lijkt, maar dat Engelstaligen er niet voor gebruiken.
- Het Duits in Oostenrijk heeft eigen alledaagse woorden: Jänner voor januari en Paradeiser voor tomaat.
- In Zwitserland is een fiets een Velo, en een gewone groet is Grüezi.
- Het zogenaamde “Pennsylvania Dutch”, dat amish-gemeenschappen in de Verenigde Staten nog altijd spreken, is ondanks de naam geen Nederlands, maar een Duits dialect.
- Franz Kafka en Rainer Maria Rilke werden allebei in Praag geboren en schreven in het Duits.
- Het Duits is officiële taal in zes landen: Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Liechtenstein, Luxemburg en België.
- In een Duitse bijzin gaat het werkwoord helemaal naar het eind, net als in het Nederlands: …, weil ich heute keine Zeit habe — “omdat ik vandaag geen tijd heb”.
- Het Duits heeft een eigen woord om een ontkennende vraag tegen te spreken: op “Kom je niet?” kun je Doch! antwoorden — “Jawel!”.
- Het Duits heeft drie grammaticale geslachten. der Löffel (lepel) is mannelijk, die Gabel (vork) vrouwelijk en das Messer (mes) onzijdig.