Duitse werkwoorden
Het werkwoord draagt het meeste van wat een zin doet: wie, wanneer, of iets al af is of nog bezig. Hier vind je de grammatica eromheen, de werkwoorden die zich niet aan de regels houden, en oefeningen.
Hoe het verder gaat
Hoe een werkwoord van vorm verandert, behandelen de grammaticathema’s hieronder. Wanneer je welke vorm gebruikt, is de vraag naar de tijden, en die heeft een eigen pagina. De werkwoorden die je gewoon één voor één moet kennen, hebben er ook een.
Grammaticathema’s rond het werkwoord (14)
Elk met uitleg, een vormentabel, voorbeeldzinnen en eigen oefeningen.
A1Het Perfekt: de verleden tijd van het gesprekEen vorm van haben of sein plus een voltooid deelwoord achteraan — zo vertellen Duitsers over gisteren.B1Het Präteritum: de verleden tijd van boeken en berichtenDe verleden tijd van verhalen en kranten — plus een klein groepje werkwoorden dat hem ook in de spreektaal houdt.A2De toekomende tijd (Futur I) en wanneer je hem niet nodig hebtHet Duits zegt de toekomst meestal in de tegenwoordige tijd en bewaart werden voor voorspellingen en beloftes.B1Het Plusquamperfekt: wat daarvoor al gebeurd wasHatte of war met een voltooid deelwoord — voor wat al voorbij was toen iets anders gebeurde.A2Wat de tegenwoordige tijd allemaal doetNu, altijd, morgen en sinds wanneer — alles in één vorm.A2Het juiste hulpwerkwoord in het Perfekt kiezenDe meeste werkwoorden nemen haben; beweging en verandering van toestand nemen sein, en een lijdend voorwerp betekent altijd haben.A2Tijd aangeven: sinds, geleden, over en voorVier voorzetsels van tijd die in het Nederlands anders heten — en de tijd die het Duits bij elk ervan gebruikt.A2Het voltooid deelwoord vormenDrie patronen, twee gevallen zonder ge- en één geval waarin ge- naar binnen schuift.A1De zes modale werkwoorden van het DuitsEén onregelmatig patroon, zes werkwoorden en een hoofdwerkwoord dat achteraan in de zin wacht.A2Niet hoeven of niet mogen: “nicht müssen” en “nicht dürfen”De plek waar een ontkenning de betekenis omdraait — en waar het Nederlandse “moeten” je op het verkeerde been zet.A1“mögen” en “möchten”: houden van en graag willenEén werkwoord voor iets lekker of leuk vinden, een andere vorm ervan voor iets graag willen — en ze zijn niet uitwisselbaar.A2“sollen”: opdrachten en wat men zegtEen verplichting die van iemand anders komt, en een tweede gebruik dat doorvertelt wat er gezegd wordt.B1Modale werkwoorden zonder tweede werkwoordHet Duits laat een modaal werkwoord alleen staan als het ontbrekende werkwoord vanzelf spreekt — net als het Nederlands.B1Lijdende vorm met “werden”werden plus voltooid deelwoord: de handeling staat centraal, wie het doet blijft vaak bewust buiten beeld.
Oefen werkwoorden (383)
De werkwoorden uit de basiswoordenschat, uit alle themalijsten.