Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A2  ·  Tijden  ·  ca. 4 min

Wat de tegenwoordige tijd allemaal doet

één tijd, vier taken

Nu, altijd, morgen en sinds wanneer — alles in één vorm.

Deze woorden heb je nodig4

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • lernenleren
  • fünfvijf
  • warmwarm
  • der Herbstde herfst

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudNog steeds waar, dus tegenwoordige tijd; seit vraagt om het Präsens.

Wanneer
  1. Voor het verleden
  2. Het verleden
  3. Verleden dat doorwerkt
  4. Het heden
  5. De toekomst
  6. Voltooid in de toekomst

Het heden — Wat op dit moment geldt, wat aan de gang is of wat altijd zo is.

Signaalwoorden
  • gerade
  • im Moment
  • immer
  • morgen
  • nächste Woche
  • seit
  • schon

De vorm

Zo maak je de vormen

Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.

stam (regelmatig) persoonsuitgang

ik woonich wohne
jij woontdu wohnst
hij / zij / het woonter / sie / es wohnt
wij wonenwir wohnen
jullie wonenihr wohnt
zij / Sie wonensie / Sie wohnen
op dit momentIch lese gerade.
altijd geldigWasser kocht bei hundert Grad.
geplandMorgen fahre ich nach Berlin.
sinds wanneerIch wohne seit drei Jahren hier.
levendig verteldDa kommt er herein und sagt ...

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Eén tegenwoordige tijd dekt zowel “ik werk” als “ik ben aan het werken”.

    Ich arbeite gerade an dem Bericht.Ik ben op dit moment met het verslag bezig.

  2. Met een tijdsaanduiding is de tegenwoordige tijd de gewone toekomst.

    Nächste Woche fängt der Kurs an.Volgende week begint de cursus.

  3. Seit met de tegenwoordige tijd zegt hoe lang iets al aan de gang is.

    Wir kennen uns seit der Schulzeit.We kennen elkaar al sinds de schooltijd.

  4. De tijdsaanduiding plaatst de zin in de tijd; de werkwoordstijd hoeft dat niet te doen.

    Ich rufe dich heute Abend an.Ik bel je vanavond.

Voorbeeldzinnen

Sie lernt seit einem Jahr Deutsch.Ze leert al een jaar Duits.

Der Zug fährt in fünf Minuten.De trein vertrekt over vijf minuten.

Ich koche gerade.Ik ben aan het koken.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Im Sommer wird es hier sehr warm.In de zomer wordt het hier erg warm.

Wir ziehen im Herbst um.We verhuizen in de herfst.

Ich bin seit einer Stunde hier.Ik ben hier al een uur.

Wie lange lernst du schon Deutsch?Hoe lang leer je al Duits?

Der Laden macht um acht auf.De winkel gaat om acht uur open.

Sie arbeitet seit Januar in Frankfurt.Ze werkt sinds januari in Frankfurt.

Ich komme gleich.Ik kom zo.

Übermorgen fliegen wir zurück.Overmorgen vliegen we terug.

Das Konzert beginnt um acht.Het concert begint om acht uur.

Wir warten schon eine halbe Stunde.We wachten al een halfuur.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

De foute zin ich habe seit drei Jahren hier gewohnt zegt eigenlijk dat je er niet meer woont. Nederlandstaligen maken die fout minder vaak dan Engelstaligen, omdat “ik woon hier al drie jaar” ook bij ons in de tegenwoordige tijd staat. Toch duikt hij op als je denkt aan “ik heb hier drie jaar gewoond”: dat is een afgesloten periode. Zolang de situatie nog voortduurt, hoort er in het Duits de tegenwoordige tijd bij. Het woordje seit is je signaal: staat het in de zin, dan staat het werkwoord bijna altijd in het Präsens.

Fout:Ich habe seit drei Jahren hier gewohnt.
Goed:Ich wohne seit drei Jahren hier.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 44 · Ergens heen gaan: “nach”, “zu”, “in”, “auf”Terug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

De Duitse tegenwoordige tijd (Präsens) doet veel werk: wat nu waar is, wat altijd geldt, wat op dit moment gebeurt, wat later gepland is en wat in het verleden begonnen is en nog doorloopt. Voor Nederlandstaligen is dat goed nieuws, want het Nederlands doet bijna hetzelfde. “Ik woon hier al drie jaar” staat ook bij ons in de tegenwoordige tijd, en dat is precies het Duitse ich wohne seit drei Jahren hier.

Het grootste verschil zit bij wat op dit moment bezig is. Het Nederlands heeft daar een eigen constructie: “ik ben aan het koken”. Die bestaat in het Duits niet als gewone vorm. Je zegt gewoon ich koche, eventueel met gerade erbij: ich koche gerade. Probeer dus niet om “aan het” te vertalen; het woordje gerade is genoeg.

Ook de toekomst zit vaak in de tegenwoordige tijd. Morgen fahre ich nach Berlin is de normale manier om het te zeggen, net als ons “morgen rijd ik naar Berlijn”. Waar wij graag “gaan” gebruiken (“volgende week ga ik verhuizen”), volstaat in het Duits de tegenwoordige tijd met een tijdsaanduiding: nächste Woche ziehe ich um.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: pas is erst, niet eerst

    Het Nederlandse “al” en “pas” hebben in het Duits een vaste tegenhanger: schon en erst. Ich lerne schon drei Jahre Deutsch betekent “al drie jaar”, dus een lange tijd; ich lerne erst drei Jahre Deutsch betekent “pas drie jaar”, dus nog niet zo lang. Het valse vriendje is erst: het lijkt op “eerst”, maar “eerst” is in het Duits zuerst of zunächst.

    Ich bin erst seit gestern hier.Ik ben hier pas sinds gisteren.

  2. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: geen “aan het”

    Het Nederlands kan met “aan het” plus infinitief laten horen dat iets nu bezig is: “ze is aan het lezen”. Het Duits heeft daar geen gewone tegenhanger voor. Je zegt sie liest of sie liest gerade. In sommige streken hoor je wel sie ist am Lesen, maar in de standaardtaal is dat spreektaal en je hebt het nooit nodig. Ook bij dienstregelingen en openingstijden gebruiken beide talen gewoon de tegenwoordige tijd.

    Der Bus fährt jede halbe Stunde.De bus rijdt elk halfuur.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: werden · fahren · ziehen · arbeiten · kennen · rufen · fangen · kochen

Verwante thema’s