B1 · Voorzetsels · ca. 4 min
Voorzetsels die bij een werkwoord horen
“warten auf”, “sich freuen über”, “denken an”
Het voorzetsel hoort bij het werkwoord en legt de naamval vast — en het lijkt vaak op het Nederlandse, maar niet altijd.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (2) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig3
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- die Antwortantwoord
- die Familiehet gezin, de familie
- das Projekthet project
Begrijpen
OnthoudLeer het werkwoord en zijn voorzetsel als één woord.
- Signaalwoorden
- auf
- an
- über
- für
- mit
- von
- nach
- um
- vor
De vorm
De patronen in één oogopslag
Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.
| warten auf + Akkusativ | Ich warte auf den Bus. |
| denken an + Akkusativ | Ich denke an dich. |
| “sich freuen auf” + Akkusativ | Ich freue mich auf das Wochenende. |
| “sich freuen über” + Akkusativ | Ich freue mich über dein Geschenk. |
| teilnehmen an + Dativ | Sie nimmt am Kurs teil. |
| “sich interessieren für” + Akkusativ | Er interessiert sich für Musik. |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Het werkwoord bepaalt zowel het voorzetsel als de naamval.
Wir warten auf die Antwort.We wachten op het antwoord.
Wisselvoorzetsels verliezen in een vaste combinatie hun bewegingsregel.
Er denkt an seine Familie.Hij denkt aan zijn familie.
sich freuen auf kijkt vooruit, sich freuen über kijkt terug.
Ich freue mich auf den Urlaub.Ik verheug me op de vakantie.
Gaat het om een ding in plaats van een persoon, dan gebruiken vraag en antwoord een vorm met da- of wo-.
Worauf wartest du? — Darauf.Waar wacht je op? — Daarop.
Voorbeeldzinnen
Ich warte seit einer Stunde auf ihn.Ik wacht al een uur op hem.
Sie erinnert sich an den Tag.Ze herinnert zich die dag.
Wir sprechen über das Projekt.We praten over het project.
Meer voorbeeldzinnen (8)
Er hat sich für die Stelle beworben.Hij heeft naar de baan gesolliciteerd.
Das hängt vom Wetter ab.Dat hangt van het weer af.
Sie bittet um Hilfe.Ze vraagt om hulp.
Ich ärgere mich über den Lärm.Ik erger me aan het lawaai.
Wir hoffen auf gutes Wetter.We hopen op mooi weer.
Er leidet unter dem Stress.Hij lijdt onder de stress.
Es geht um die Miete.Het gaat om de huur.
Worüber lacht ihr?Waar lachen jullie om?
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Omdat zoveel paren met het Nederlands overeenkomen, vertaal je het voorzetsel al snel letterlijk. Dat gaat mis bij “zich herinneren”, dat in het Nederlands geen voorzetsel heeft en in het Duits wel: sich erinnern an. En bij “solliciteren naar”: het Duits zegt sich bewerben um, niet nach. Leer elk werkwoord met zijn voorzetsel in een hele zin.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 100 · Volgorde van bepalingen: TeKaMoLoTerug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Veel Duitse werkwoorden hebben een vast voorzetsel, en het paar leer je als één geheel: warten aufmet Akkusativdenken anmet Akkusativsich freuen übermet Akkusativteilnehmen anmet Dativ Het voorzetsel heeft hier zijn gewone betekenis verloren.
Omdat de betekenis weg is, kun je ook de naamval niet afleiden. Een wisselvoorzetsel als auf kiest normaal Akkusativ voor beweging en Dativ voor plaats; in zo’n vaste combinatie heeft het één naamval die bij het paar hoort.
Voor Nederlandstaligen is het goede nieuws dat veel paren gelijk zijn: “wachten op” is warten auf, “denken aan” is denken an, “deelnemen aan” is teilnehmen an, “vragen om” is bitten um. Het slechte nieuws: juist daardoor vallen de paren die anders zijn niet op. “Zich ergeren aan” is sich ärgern über, “lachen om” is lachen über, “solliciteren naar” is sich bewerben um.
Nader bekeken
De vormen met da- en wo-
Gaat het om een ding, dan gebruikt het Duits na zo’n voorzetsel geen voornaamwoord, maar plakt da(r)- ervoor: darauf, daran, darüber, dafür. Het Nederlands doet hetzelfde met “erop”, “eraan”, “erover”. De r verschijnt alleen als het voorzetsel met een klinker begint.
Vragen werken met wo(r)-: Worauf wartest du? Eén verschil: het Nederlands splitst graag (“waar wacht je op?”), het Duits houdt het woord heel. Bij personen blijven de gewone vormen: Auf wen wartest du?, “op wie wacht je?”.
Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
Uitzondering
Als het voorwerp een hele bijzin is
dan kondigt de vorm met da- hem aan en volgt dass.
Ich freue mich darauf, dass du kommst.Ik verheug me erop dat je komt.
Waarom? Een voorzetsel kan niet direct een bijzin beheersen, dus de vorm met da- neemt die plaats in — zoals “erop dat”.
Uitzondering
Als hetzelfde werkwoord twee voorzetsels kan hebben
dan verschillen de betekenissen.
Ich freue mich über die Nachricht.Ik ben blij met het nieuws.
Waarom? Sich freuen aufis vooruitziensich freuen überis blij zijn met iets dat er al is
Goed om te weten2
Goed om te weten
Wederkerend en met voorzetsel tegelijk
Een grote groep is ook wederkerend: sich freuen auf, sich interessieren für, sich erinnern an, sich kümmern um, sich bewerben um. Je leert dus drie dingen tegelijk — het wederkerend voornaamwoord, het voorzetsel en de naamval.
Goed om te weten
Het voorzetsel blijft in het zelfstandig naamwoord
Zelfstandige naamwoorden die van deze werkwoorden komen, houden het voorzetsel: die Freude über, das Interesse an, die Bewerbung um. Wie het werkwoord leert, leert het naamwoord er gratis bij.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: warten · sich freuen · haben · kommen · sprechen · denken · erinnern