B1 · Modale werkwoorden · ca. 4 min
Modale werkwoorden zonder tweede werkwoord
“Ich muss nach Hause. Ich kann Deutsch.”
Het Duits laat een modaal werkwoord alleen staan als het ontbrekende werkwoord vanzelf spreekt — net als het Nederlands.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (2) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Begrijpen
OnthoudIs het ontbrekende werkwoord duidelijk, dan laat het Duits het weg — net als jij.
- Signaalwoorden
- muss
- will
- kann
- darf
- möchte
- nach
- zu
- ins
De vorm
Zo maak je de vormen
Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.
stam (regelmatig) stam (onregelmatig) persoonsuitgang vraagvorm
| ik moet naar huis | ich muss nach Hause |
| jij moet naar huis | du musst nach Hause |
| hij, zij, het moet naar huis | er, sie, es muss nach Hause |
| wij moeten naar huis | wir müssen nach Hause |
| jullie moeten naar huis | ihr müsst nach Hause |
| zij moeten naar huis; “u moet naar huis” (Sie) | sie, Sie müssen nach Hause |
| een richting | Ich muss nach Hause. |
| een taal, een vaardigheid | Ich kann Deutsch. |
| een voorwerp | Ich möchte einen Kaffee. |
| een vraag | Was soll das? |
| een antwoord | Kannst du das? — Ja, ich kann. |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaat
Het tweede werkwoord mag wegvallen als het uit de context duidelijk is.
Ich muss zum Zug.Ik moet naar de trein.
Dat gebeurt het vaakst bij een richting.
Wir wollen ans Meer.We willen naar zee.
können met een taal of een vaardigheid heeft geen tweede werkwoord nodig.
Sie kann gut Spanisch.Ze spreekt goed Spaans.
De zin is compleet, niet ingekort: er hoeft niets aangevuld te worden.
Ich möchte ein Wasser, bitte.Ik wil graag een water, alsjeblieft.
Voorbeeldzinnen
Ich muss noch zur Post.Ik moet nog naar het postkantoor.
Willst du mit?Wil je mee?
Er kann kein Duits.Hij spreekt geen Engels.
Meer voorbeeldzinnen (8)
Das darfst du nicht.Dat mag je niet.
Was möchten Sie?Wat wilt u?
Ich will nach Hause.Ik wil naar huis.
Kannst du Französisch?Spreek je Frans?
Wir müssen los.We moeten weg.
Sie darf schon nach draußen.Ze mag al naar buiten.
Das habe ich nicht gewollt.Dat heb ik niet gewild.
Ich mag keinen Kaffee.Ik lust geen koffie.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Een correct gebouwde lange versie — Ich kann sehr gut Deutsch sprechen — zou niet fout zijn, alleen zwaarder dan wat Duitsers meestal zeggen. De foute zin gaat verder: het toegevoegde werkwoord staat midden in de zin, met sehr gut erachter, terwijl de infinitief in het Duits achteraan hoort. Dat komt vaak doordat je denkt aan “ik spreek Duits”, waar het Nederlands het werkwoord vooraan zet. Het Duits zet de taal direct na het modale werkwoord en stopt: Ich kann gut Deutsch.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 87 · Lijdende vorm met “werden”Terug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Normaal hoort bij een modaal werkwoord een tweede werkwoord: Ich muss nach Hause gehen. Het Duits laat dat tweede werkwoord weg zodra het uit de context duidelijk is, en de zin is dan compleet en heel gewoon: Ich muss nach Hause. Dit is een van de plekken waar je als Nederlandstalige niets nieuws hoeft te leren: “ik moet naar huis”, “ik wil naar de bioscoop”, “wil je mee?” zijn precies dezelfde constructies.
Het gebeurt vooral bij beweging, waar de richting al zegt wat er ontbreekt: Ich will ins Kino, Wir müssen zum Bahnhof, Sie darf nicht raus. Niemand vult daar gehen of fahren in, en wie het toch doet, maakt de zin zwaarder in plaats van duidelijker. Ook de losse bijwoorden werken als in het Nederlands: Wir müssen los “we moeten weg”, Ich muss weg.
Daarnaast gebeurt het bij können met een taal of een vaardigheid: Ich kann Deutsch, Er kann Klavier. Het Nederlands kent “ik kan goed Duits” ook, maar zegt vaker “ik spreek Duits”; in het Duits is de korte vorm met können heel gewoon. En met een voorwerp: Ich möchte einen Kaffee, Was wollen Sie?
Goed om te weten2
Goed om te weten
Vergelijking met het Nederlands: dezelfde korte zinnen
“Ik moet weg”, “ze wil naar binnen”, “hij mag naar buiten”: het Nederlands laat het werkwoord van beweging net zo graag weg als het Duits. Ich muss weg, Sie will rein, Er darf raus kun je dus woord voor woord overnemen. Let alleen op zu: wie Ich muss nach Hause zu gehen schrijft, denkt misschien aan “ik heb naar huis te gaan”, maar na een modaal werkwoord staat in het Duits nooit zu.
Wir müssen los.We moeten weg.
Goed om te weten
De korte antwoordvorm
Op een vraag met een modaal werkwoord antwoord je in het Duits met het modale werkwoord alleen: Kannst du kommen? — Ja, ich kann. Ook dat werkt zoals in het Nederlands: “kun je komen? — ja, dat kan ik”, of korter “ja, ik kan”.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: können · wollen · mögen · dürfen