Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A2  ·  Voorzetsels  ·  ca. 4 min

Ergens heen gaan: “nach”, “zu”, “in”, “auf”

“nach Berlin”, “zum Arzt”, “in die Stadt”, “auf die Post”

Vier voorzetsels voor een bestemming, gekozen naar het soort plaats.

Deze woorden heb je nodig2

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • die Bibliothekde bibliotheek
  • die Posthet postkantoor; de post

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudGeen lidwoord: nach. Een persoon of instelling: zu.

Signaalwoorden
  • nach
  • zu
  • zum
  • zur
  • in
  • ins
  • auf
  • an

De vorm

De patronen in één oogopslag

Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.

“nach” + steden, landen zonder lidwoordnach Wien, nach Spanien
vaste uitdrukkingennach Hause, nach links
zu + Dativ, personen en instellingenzum Arzt, zu ihm
in + Akkusativ, naar binnenin die Stadt, ins Büro
auf + Akkusativ, open ruimtesauf den Markt, auf die Post
an + Akkusativ, randen en waterans Meer, an den Tisch

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaat

  1. nach is voor steden en landen zonder lidwoord.

    Wir fahren nach Hamburg.We gaan naar Hamburg.

  2. zu neemt de Dativ en staat bij personen en instellingen.

    Ich gehe zum Zahnarzt.Ik ga naar de tandarts.

  3. in met Akkusativ betekent naar binnen gaan.

    Sie geht in die Bibliothek.Ze gaat de bibliotheek in.

  4. Een land met lidwoord neemt in, niet nach.

    Er fliegt in die Türkei.Hij vliegt naar Turkije.

Voorbeeldzinnen

Ich fahre morgen nach München.Ik ga morgen naar München.

Wir gehen zu meinen Eltern.We gaan naar mijn ouders.

Gehst du heute ins Kino?Ga je vandaag naar de bioscoop?

Meer voorbeeldzinnen (8)

Sie muss noch auf die Post.Ze moet nog naar het postkantoor.

Wir fahren ans Meer.We gaan naar zee.

Fährst du nach Hause?Ga je naar huis?

Sie geht zur Arbeit.Ze gaat naar haar werk.

Wir ziehen in die Stadt.We verhuizen naar de stad.

Geh bitte an die Tür.Ga alsjeblieft naar de deur.

Er will auf den Markt.Hij wil naar de markt.

Nach rechts, dann geradeaus.Naar rechts, dan rechtdoor.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

“Naar” letterlijk vertalen geeft bijna altijd nach, en nach is alleen voor plaatsen zonder lidwoord. Erger: nach dem Arzt is grammaticaal en betekent “na de dokter”, een uitspraak over tijd in plaats van over je bestemming. Voor Nederlanders extra belangrijk: “naar Nederland” is in die Niederlande, want het land heeft een lidwoord.

Fout:Ich gehe nach dem Arzt.
Goed:Ich gehe zum Arzt.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 45 · Het juiste hulpwerkwoord in het Perfekt kiezenTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Het Nederlands zegt bij bijna elke bestemming “naar”. Het Duits kiest uit vier, afhankelijk van het soort plaats. Nach is voor steden, landen zonder lidwoord en richtingen: nach Berlin, nach Italien, nach links, nach Hause.

Zu is voor personen en voor plaatsen die je als instelling ziet: zum Arzt, zur Schule, zu meiner Schwester, zur Arbeit. Het neemt altijd de Dativ en is de veilige keuze als niets anders duidelijk past.

In met de Akkusativ is ergens binnengaan, en voor landen met een lidwoord: in die Stadt, ins Kino, in die Schweiz, in die Niederlande. En auf met de Akkusativ dekt open ruimtes en in sommige streken loketten: auf den Markt, auf die Post — waar zur Post net zo gewoon is.

Nader bekeken

Drie vaste uitdrukkingen voor thuis

Het Duits onderscheidt naar huis gaan, thuis zijn en van huis komen met drie vaste uitdrukkingen: nach Hause(naar huis)zu Hause(thuis)von zu Hause(van huis) Geen lidwoord, alle drie bevroren, en je hebt ze elke dag nodig.

In Zuid-Duitsland en Oostenrijk hoor je heim en daheim voor de eerste twee. En de nieuwe spelling staat zuhause als één woord toe voor de tweede.

Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
  1. Uitzondering

    Als een land een lidwoord heeft

    dan neemt het in met de Akkusativ.

    Wir fahren in die Schweiz.We gaan naar Zwitserland.

    Waarom? Die Schweiz, die Türkei, die Niederlande, die USA komen het vaakst voor.

  2. Uitzondering

    Als de bestemming een evenement is

    dan gebruikt het Duits auf of zu.

    Ich gehe auf eine Party. Er geht zum Konzert.Ik ga naar een feestje. Hij gaat naar het concert.

    Waarom? Beide zijn idiomatisch en geen van beide valt af te leiden.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Het antwoord op woher gebruikt aus en von

    Kom je ergens vandaan waar je binnen was, dan is het aus (aus Deutschland, aus dem Haus); was je er alleen bij, dan von (vom Arzt, von der Arbeit). Die verdeling spiegelt die tussen in en zu op de heenweg.

  2. Goed om te weten

    Het Duits heeft drie waar-woorden

    Wovraagt waar iets iswohinwaar het heen gaatwoherwaar het vandaan komt Het Nederlands heeft ze ook — “waar”, “waarheen”, “waarvandaan” — maar splitst ze graag (“waar ga je heen?”). Het Duits kan dat in de spreektaal ook: Wo gehst du hin?

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: gehen · fahren · müssen · fliegen

Verwante thema’s