Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A2  ·  De vier naamvallen  ·  ca. 4 min

Werkwoorden die een Dativ vragen

“helfen”, “danken”, “gefallen”, “gehören”

Een korte lijst werkwoorden met maar één voorwerp, en dat voorwerp staat in de Dativ — ook waar het Nederlands een lijdend voorwerp heeft.

Deze woorden heb je nodig2

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • gefallenbevallen, mooi vinden
  • passenpassen, goed zitten; schikken

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

Onthoudhelfen, danken, gefallen, gehören — altijd met de Dativ.

Signaalwoorden
  • mir
  • dir
  • ihm
  • ihr
  • uns
  • euch
  • ihnen
  • Ihnen

De vorm

Zo maak je de vormen

Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.

stam (regelmatig) stam (onregelmatig) persoonsuitgang

ik help jouich helfe dir
jij helpt mij (du)du hilfst mir
hij, zij, het helpt onser, sie, es hilft uns
wij helpen hemwir helfen ihm
jullie helpen hen (ihr)ihr helft ihnen
zij helpen haar; beleefdheidsvorm (Sie)sie, Sie helfen ihr
bedankenIch danke Ihnen.
bevallen, leuk vindenDas Bild gefällt mir.
toebehoren, van iemand zijnDer Schlüssel gehört ihm.
volgen, passen, antwoordenFolgen Sie mir bitte.
feliciteren, tegenkomenIch gratuliere dir.

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Deze werkwoorden hebben een voorwerp in de Dativ en geen Akkusativ.

    Kannst du mir helfen?Kun je me helpen?

  2. Bij gefallen is wat bevalt het onderwerp, net als bij “bevallen”.

    Die Stadt gefällt uns.De stad bevalt ons.

  3. Een voorwerp in de Dativ kan geen onderwerp worden van een lijdende vorm.

    Mir wurde geholfen.Ik ben geholpen.

  4. De dagelijkse lijst is kort genoeg om te leren.

    Ich danke dir für alles.Ik dank je voor alles.

Voorbeeldzinnen

Er hat mir sehr geholfen.Hij heeft me erg geholpen.

Das Kleid passt dir gut.De jurk past je goed.

Sie hat mir nicht geantwortet.Ze heeft me niet geantwoord.

Meer voorbeeldzinnen (8)

Wem gehört das?Van wie is dit?

Ich bin ihm gestern begegnet.Ik ben hem gisteren tegengekomen.

Wie geht es Ihnen?Hoe gaat het met u?

Das Essen schmeckt mir.Het eten smaakt me.

Ich gratuliere euch beiden.Ik feliciteer jullie allebei.

Folgen Sie bitte dem Weg.Volgt u alstublieft het pad.

Diese Jacke gehört meiner Schwester.Deze jas is van mijn zus.

Glaub mir, das stimmt.Geloof me, het klopt.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

In het Nederlands zeg je “ik help je” en “ik help hem”, met een gewoon lijdend voorwerp. Vertaal je dat woord voor woord, dan wordt het Ich helfe dich, met de Akkusativ (vierde naamval). Helfen hoort echter bij de werkwoorden met een Dativ (derde naamval): Ich helfe dir. Hetzelfde geldt voor danken (“bedanken”), gratulieren (“feliciteren”) en begegnen (“tegenkomen”). Omgekeerd werkt fragen: “ik vraag het hem” lijkt een meewerkend voorwerp te hebben, maar Ich frage ihn staat in de Akkusativ.

Fout:Ich helfe dich.
Goed:Ich helfe dir.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 49 · Verkleinwoorden: -chen en -leinTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

De meeste Duitse werkwoorden met één voorwerp nemen de Akkusativ (vierde naamval). Een kleine, vaste groep neemt in plaats daarvan de Dativ (derde naamval): helfen, danken, folgen, gefallen, gehören, passen, antworten, gratulieren, glauben, begegnen. Ich helfe dir, niet dich.

Voor Nederlandstaligen is die groep verraderlijk, omdat het Nederlands bij “helpen”, “bedanken”, “volgen”, “feliciteren” en “tegenkomen” gewoon een lijdend voorwerp gebruikt, en omdat “mij”, “jou” en “hem” het verschil toch niet tonen. Je gevoel helpt je hier dus niet; de lijst moet je leren. Gelukkig is ze kort en stabiel. Leer elk werkwoord met een voornaamwoord erbij, want daar zie je de naamval: ihm helfen, ihm danken, ihm folgen.

Twee werkwoorden draaien de zin om, en die herken je wel uit het Nederlands. Gefallen werkt als “bevallen”: Das Buch gefällt mir — “het boek bevalt me”, het boek is onderwerp. Gehören werkt als “toebehoren aan”: Das Buch gehört mir — “het boek is van mij”. Ook schmecken loopt gelijk: “het smaakt me” is es schmeckt mir.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: “ik heb het koud” tegenover mir ist kalt

    Lichamelijke toestanden en gevoelens drukt het Duits vaak uit met de persoon in de Dativ, soms zonder echt onderwerp: Mir ist kalt, Mir ist schlecht, Mir tut der Kopf weh. Het Nederlands zegt “ik heb het koud”, “ik ben misselijk”, “ik heb hoofdpijn”, met “ik” als onderwerp. Vertaal dus niet letterlijk: Ich bin kalt betekent dat je een kil, gevoelloos mens bent.

    Mir ist kalt und mir tut der Kopf weh.Ik heb het koud en ik heb hoofdpijn.

  2. Goed om te weten

    glauben met persoon en met zaak

    Ich glaube dir betekent “ik geloof jou”, de persoon in de Dativ; Ich glaube das betekent “ik geloof dat”, de bewering in de Akkusativ. Beide kunnen in één zin staan: Ich glaube dir das nicht — “dat geloof ik niet van je”.

    Ich glaube dir das nicht.Dat geloof ik niet van je.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · helfen · sein · werden · hören · passen · antworten

Verwante thema’s