B1 · Woordvolgorde · ca. 4 min
De zinsklem
waarom het Duits aan het eind beslist
Het werkwoord opent de zin en iets sluit hem — en al het andere staat ertussen.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (2) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig2
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- erledigenafhandelen, regelen
- wandernwandelen, trekken
Begrijpen
OnthoudWerkwoord tweede, werkwoordsdelen laatst, alles ertussen.
- Signaalwoorden
- an
- auf
- zu
- ab
- gemacht
- gesehen
- anrufen
- werden
De vorm
De patronen in één oogopslag
Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.
| scheidbaar werkwoord | Ich rufe dich morgen an. |
| voltooide tijd | Ich habe dich gestern angerufen. |
| modaal werkwoord | Ich kann dich morgen anrufen. |
| toekomende tijd | Ich werde dich morgen anrufen. |
| bijzin | ..., dass ich dich morgen anrufe. |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Het vervoegde werkwoord opent de klem op de tweede plaats.
Wir haben den Termin verschoben.We hebben de afspraak verzet.
Een deelwoord, een infinitief of een scheidbaar voorvoegsel sluit hem aan het eind.
Sie macht das Fenster auf.Ze doet het raam open.
Al het andere staat binnen de klem.
Ich habe ihr gestern das Buch gegeben.Ik heb haar gisteren het boek gegeven.
In een bijzin sluit de klem helemaal: het vervoegde werkwoord gaat ook naar het eind.
..., weil ich dich morgen anrufe.… omdat ik je morgen opbel.
Voorbeeldzinnen
Der Zug fährt in fünf Minuten ab.De trein vertrekt over vijf minuten.
Ich habe das gestern schon erledigt.Dat heb ik gisteren al geregeld.
Wir wollen am Wochenende wandern gehen.We willen in het weekend gaan wandelen.
Meer voorbeeldzinnen (10)
Sie hat mir nichts davon gesagt.Ze heeft me er niets over gezegd.
Das Paket ist heute Morgen angekommen.Het pakket is vanochtend aangekomen.
Ich muss das noch heute fertig machen.Dat moet ik vandaag nog afmaken.
Sie ist letzte Woche umgezogen.Ze is vorige week verhuisd.
Wir haben lange darüber nachgedacht.We hebben er lang over nagedacht.
Der Brief ist gestern abgeschickt worden.De brief is gisteren verstuurd.
Kannst du mir das kurz erklären?Kun je me dat even uitleggen?
Ich habe den Schlüssel im Auto liegen lassen.Ik heb de sleutel in de auto laten liggen.
Er will nächstes Jahr in Wien studieren.Hij wil volgend jaar in Wenen studeren.
Das Geschäft hat gestern zugemacht.De winkel is gisteren dichtgegaan.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Nederlandstaligen kennen de klem, maar ze is in het Nederlands lekker: “ik heb gewacht op jou”, “hij is gekomen met de trein” klinken heel gewoon. In het Duits mag na het afsluitende element bijna niets meer staan — geen voorwerp, geen tijd, geen plaats: Ich habe auf dich gewartet, Er ist mit dem Zug gekommen. Eindigt je zin niet op het werkwoord, kijk dan nog eens.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 79 · Ontkennende woorden als “nie”, “nichts” en “niemand”Terug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Een Duitse hoofdzin wordt door twee posities bij elkaar gehouden. Het vervoegde werkwoord staat tweede en opent de klem; een tweede element sluit hem helemaal aan het eind: een scheidbaar voorvoegsel, een deelwoord, een infinitief. Het Nederlands kent die klem ook: “ik heb hem gisteren gezien”.
Al het andere staat binnen de klem, in het middenveld. Het verschil met het Nederlands: het Duits is strenger. In het Nederlands mag een voorzetselgroep na het deelwoord (“ik heb gewacht op de bus”), in het Duits bijna nooit: Ich habe auf den Bus gewartet.
Daarom beslist het Duits laat. Ich habe gestern meiner Schwester ein Buch … kan nog eindigen op geschenkt, gezeigt of weggenommen, en pas het laatste woord zegt welke.
Nader bekeken
Wat de klem kost en wat hij oplevert
Hij kost begripstijd: een luisteraar kan pas aan het eind van de zin zeker zijn van de betekenis. Daarom wachten tolken naar het Duits vaak.
Hij levert een vrij middenveld op: omdat de klem de zin bij elkaar houdt, kun je de inhoud ordenen naar nadruk. Voor Nederlandstaligen is dat vertrouwd terrein — het Duits is alleen strenger over wat er na de klem mag.
Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
Uitzondering
Als iets als nagedachte wordt toegevoegd
dan mag het na het afsluitende element staan, en in de spreektaal is dat gewoon: Ich habe ihn gesehen, gestern.
Ich habe ihn getroffen, ganz zufällig.Ik ben hem tegengekomen, heel toevallig.
Waarom? De nagedachte staat buiten de zin; daarom hoort er een komma of pauze bij.
Uitzondering
Als er een vergelijking met als of wie volgt
dan staat die meestal na het afsluitende element.
Er hat mehr gearbeitet als alle anderen.Hij heeft meer gewerkt dan alle anderen.
Waarom? Een vergelijking hangt aan de hele zin.
Goed om te weten2
Goed om te weten
De laatste plaats voor het werkwoord is de sterkste
Omdat alles tussen de twee kanten van de klem zit, draagt de plek vlak voor het afsluitende element het meeste gewicht. Ich habe ihm das Buch gegeben en ich habe das Buch ihm gegeben zijn allebei goed; de tweede benadrukt wie het kreeg.
Ich habe ihr nichts gesagt.Ik heb haar niets gezegd.
Goed om te weten
Twee werkwoorden aan het eind
Komt een modaal werkwoord bij een voltooide tijd, dan gaan beide als infinitief naar het eind: Ich habe leider nicht kommen können. Het Nederlands zet ze in de andere volgorde: “ik heb helaas niet kunnen komen”.
Ich habe leider nicht kommen können.Ik heb helaas niet kunnen komen.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · sein · gehen · geben · machen · sagen · fahren · wollen