Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A1  ·  Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stam  ·  ca. 4 min

Tegenwoordige tijd: uitgangen aan de stam

zes vormen voor nu, gewoonte en de nabije toekomst

Stam plus -e, -st, -t, -en, -t, -en — en één vorm voor “ik werk” en “ik ben aan het werken”.

Deze woorden heb je nodig9

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • arbeitenwerken
  • findenvinden
  • tanzendansen
  • geraderecht
  • waswat
  • siebenzeven
  • zusammensamen
  • fliegenvliegen
  • die Bankde bank

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

Onthoud“Ik ben aan het werken” wordt Ich arbeite gerade. En de ik-vorm krijgt een -e.

Signaalwoorden
  • -e
  • -st
  • -t
  • -en
  • gerade
  • immer
  • jeden Tag

De vorm

Zo maak je de vormen

Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.

stam (regelmatig) persoonsuitgang

ik komich komme
jij komt (du)du kommst
hij / zij / het komter / sie / es kommt
wij komenwir kommen
jullie komen (ihr)ihr kommt
zij komen / “u komt” (Sie)sie / Sie kommen

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. De uitgangen komen aan de stam: de infinitief zonder -en.

    wir spielen, ich spielewij spelen, ik speel

  2. Een stam op -t, -d of op een medeklinker plus m of n (atmen, rechnen) krijgt een -e- voor -st en -t, zodat je de uitgang hoort.

    du arbeitest, er findetjij werkt, hij vindt

  3. Een stam op -s, -ß, -z of -x krijgt in de du-vorm alleen -t, niet -st.

    du heißt, du tanztjij heet, jij danst

  4. Eén tegenwoordige tijd dekt “ik werk” en “ik ben aan het werken”. Een aparte vorm voor de duur bestaat niet.

    Ich lese gerade ein Buch.Ik ben op dit moment een boek aan het lezen.

Voorbeeldzinnen

Ich wohne in Hamburg.Ik woon in Hamburg.

Was machst du am Wochenende?Wat doe je in het weekend?

Der Zug kommt um sieben an.De trein komt om zeven uur aan.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Wir arbeiten zusammen.Wij werken samen.

Morgen fliege ich nach Wien.Morgen vlieg ik naar Wenen.

Wie heißt du?Hoe heet je?

Er arbeitet bei einer Bank.Hij werkt bij een bank.

Ihr kommt zu spät.Jullie zijn te laat.

Sie studiert Medizin.Zij studeert geneeskunde.

Wir finden das gut.Wij vinden dat goed.

Das Geschäft öffnet um neun.De winkel gaat om negen uur open.

Ich verstehe das nicht.Dat begrijp ik niet.

Nächste Woche fangen die Ferien an.Volgende week begint de vakantie.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Het Nederlands kent twee constructies die hier meespelen. “Ik ben aan het werken” beschrijft wat je nu doet; “ik ben werken” of “ze is zwemmen” betekent dat iemand weg is om iets te doen. Die tweede bestaat ook in het Duits: Ich bin arbeiten zeg je als je niet thuis bent omdat je op je werk zit, net als ich bin einkaufen. Wil je zeggen dat je op dit moment bezig bent, dan werkt dat dus niet. In sommige streken hoor je Ich bin am Arbeiten, maar in verzorgd Duits zeg je gewoon Ich arbeite gerade of Ich arbeite im Moment. De tijd zit in het woordje, niet in de vorm.

Fout:Ich bin arbeiten.
Goed:Ich arbeite.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 9 · Het werkwoord op de tweede plaatsTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

De stam vind je door -en van de infinitief af te halen: komm-en, wohn-en, spiel-en. Daaraan hang je de uitgangen: ich komme, du kommst, er kommt, wir kommen, ihr kommt, sie kommen. Twee dingen zijn anders dan in het Nederlands. De ik-vorm is niet de kale stam, zoals “ik kom”, maar krijgt een -e: ich komme. En de vorm voor ihr eindigt op -t, waar jij “jullie komen” zegt: ihr kommt.

Eindigt de stam op -t of -d, dan komt er een -e- tussen, zodat je de uitgang hoort: du arbeitest, er findet. In het Nederlands schrijf je “hij vindt” met dt, maar je hoort één klank; in het Duits spreek je de extra lettergreep echt uit. Eindigt de stam op -s, -ß, -z of -x, dan krijgt de du-vorm alleen -t: du heißt, du tanzt.

De Duitse tegenwoordige tijd dekt veel. Ich arbeite is “ik werk” en ook “ik ben aan het werken”. De constructie met “aan het” heeft het standaard-Duits niet; wil je benadrukken dat iets nu gebeurt, dan voeg je een woord toe: Ich arbeite gerade. Net als in het Nederlands gebruik je de tegenwoordige tijd ook voor de toekomst, als een tijdsbepaling erbij staat: Morgen fliege ich nach Wien, “morgen vlieg ik naar Wenen”.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: de “t” blijft staan

    In het Nederlands verdwijnt de “t” als “jij” achter het werkwoord komt: “jij komt”, maar “kom jij?”. Het Duits kent die regel niet. De uitgang blijft altijd staan, waar het onderwerp ook staat: du kommst en kommst du?, du arbeitest en morgen arbeitest du. Wie hier de Nederlandse gewoonte volgt, zegt Komm du? en klinkt dan als iemand die een bevel geeft. Let ook op ihr: de meervoudsvorm voor “jullie” eindigt op -t, niet op -en.

    Kommst du morgen?Kom je morgen?

  2. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: Sie vaker dan “u”

    Het Duits heeft drie woorden voor de aangesproken persoon: du voor één bekende, ihr voor meerdere bekenden en Sie voor de beleefde vorm, altijd met hoofdletter. Sie neemt dezelfde werkwoordsvorm als het meervoud sie: Sie kommen. In Nederland stappen mensen snel over op “je”; in Duitsland blijft men veel langer bij Sie, bijvoorbeeld tegen collega’s, buren en iedereen in een winkel of op kantoor. Twijfel je, kies dan Sie en wacht tot de ander du voorstelt.

    Wie heißen Sie? – Wie heißt du?Hoe heet u? — Hoe heet je?

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: arbeiten · spielen · kommen · finden · lesen · wohnen · fliegen

Verwante thema’s