B1 · Bijzinnen · ca. 4 min
Indirecte vragen en zinnen met zu
ob, vraagwoorden, en zu met een infinitief
Een vraag binnen een zin is geen vraag meer — en een zin zonder eigen onderwerp krijgt zu.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (3) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig1
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- der Staude file
Begrijpen
Onthoudwann vraagt een tijd, wenn stelt een voorwaarde, ob is “of”.
- Signaalwoorden
- ob
- wann
- wo
- wie
- warum
- zu
- um ... zu
- ohne ... zu
De vorm
De patronen in één oogopslag
Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.
vraagvorm
| direct | Wann kommt der Zug? |
| indirect | Weißt du, wann der Zug kommt? |
| ja / nee | Er fragt, ob du Zeit hast. |
| infinitief met zu | Ich habe vergessen anzurufen. |
| um ... zu | Ich rufe an, um einen Termin zu machen. |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Een indirecte vraag is een bijzin: werkwoord aan het eind, geen vraagteken binnen de zin.
Ich weiß nicht, wo er wohnt.Ik weet niet waar hij woont.
Een ja-neevraag wordt ingeleid door ob.
Sie hat gefragt, ob wir kommen.Ze heeft gevraagd of we komen.
Delen beide zinnen een onderwerp, gebruik dan een infinitief met zu in plaats van dass.
Ich hoffe, dich bald zu sehen.Ik hoop je snel te zien.
Bij een scheidbaar werkwoord staat zu tussen voorvoegsel en stam: anzurufen, aufzustehen.
Es ist Zeit aufzustehen.Het is tijd om op te staan.
Voorbeeldzinnen
Können Sie mir sagen, wo der Bahnhof ist?Kunt u me zeggen waar het station is?
Ich weiß nicht, ob das stimmt.Ik weet niet of dat klopt.
Er hat versprochen, morgen anzurufen.Hij heeft beloofd morgen te bellen.
Meer voorbeeldzinnen (10)
Wir sind früher gefahren, um den Stau zu vermeiden.We zijn eerder vertrokken om de file te vermijden.
Sie ging, ohne etwas zu sagen.Ze ging weg zonder iets te zeggen.
Weißt du, wie lange das dauert?Weet je hoelang dat duurt?
Sie hat mich gefragt, ob ich Zeit hätte.Ze vroeg me of ik tijd had.
Ich habe vergessen, das Fenster zuzumachen.Ik ben vergeten het raam dicht te doen.
Es ist schwer, das zu erklären.Het is moeilijk om dat uit te leggen.
Er ging weg, ohne sich zu verabschieden.Hij ging weg zonder afscheid te nemen.
Wir haben angefangen, Deutsch zu lernen.We zijn begonnen Duits te leren.
Ich weiß nicht, warum sie nicht angerufen hat.Ik weet niet waarom ze niet gebeld heeft.
Sie fuhr in die Stadt, um einzukaufen.Ze reed naar de stad om boodschappen te doen.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Het Nederlandse “als” en “of” hebben elk een Duitse valse vriend. “Of” in een indirecte vraag is ob, niet oder. En wann vraagt naar een tijd, ook in een indirecte vraag, terwijl wenn een voorwaarde is. Ich weiß nicht, wenn er kommt betekent iets als “ik weet het niet, als hij komt” — een voorwaarde die in de lucht hangt.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 82 · Nominalisering: “das Essen”Terug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Een vraag die in een andere zin wordt weergegeven, wordt een bijzin: het werkwoord gaat naar het eind en het vraagteken verdwijnt. Wann kommt er? wordt Ich weiß nicht, wann er kommt. Precies zoals “ik weet niet wanneer hij komt”.
Een ja-neevraag heeft geen vraagwoord, dus het Duits gebruikt ob: Er fragt, ob wir mitkommen. Ob is het Nederlandse “of” — nooit wenn, dat een voorwaarde is.
Het andere zinstype heeft geen onderwerp. Delen beide helften hetzelfde onderwerp, dan gebruikt het Duits een infinitief met zu: Ich habe vergessen, den Brief einzuwerfen. Dat is het Nederlandse “te”. Bij een scheidbaar werkwoord staat zu ertussen en wordt het één woord: anzurufen, waar het Nederlands “op te bellen” in drie woorden schrijft.
Nader bekeken
Wanneer zu moet en wanneer het niet mag
De meeste werkwoorden die een tweede werkwoord bij zich hebben, nemen het met zu: versuchen, vergessen, hoffen, anfangen, aufhören, beschließen. De uitzonderingen zijn een korte lijst met een kale infinitief: de zes modale werkwoorden, plus sehen, hören, lassen, gehen, kommen, bleiben, helfen, lernen.
Voor Nederlandstaligen valt die lijst grotendeels samen met de eigen taal: “ik wil gaan”, “ik hoor hem komen”, “ik ga zwemmen”. Let wel op brauchen: du brauchst nicht zu kommen, zoals “je hoeft niet te komen”.
Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
Uitzondering
Als het werkwoord een modaal werkwoord is, of sehen, hören, lassen, gehen, bleiben, helfen of lernen
dan staat de infinitief kaal, zonder zu.
Ich höre ihn kommen.Ik hoor hem komen.
Waarom? Een gesloten groep werkwoorden neemt een kale infinitief — in het Nederlands grotendeels dezelfde.
Uitzondering
Als de twee zinnen verschillende onderwerpen hebben
dan is een infinitief met zu onmogelijk en is dass nodig.
Ich hoffe, dass du bald kommst.Ik hoop dat je snel komt.
Waarom? Een infinitief heeft geen eigen onderwerp en kan alleen dat van de hoofdzin lenen.
Goed om te weten2
Goed om te weten
um ... zu is “om ... te”
Een doel krijgt um ... zu: Ich rufe an, um einen Termin zu machen. Dat is het Nederlandse “om … te”, en het gaat bijna één op één. Het verschil: het Nederlands zet “om … te” ook na veel werkwoorden zonder doel (“ik probeer om te slapen”); het Duits gebruikt um alleen bij een doel.
Er lernt Deutsch, um in Wien zu studieren.Hij leert Duits om in Wenen te studeren.
Goed om te weten
“ohne … zu” en “anstatt … zu” werken net zo
Beide nemen een infinitief met zu en vragen hetzelfde onderwerp in beide helften — zoals “zonder … te” en “in plaats van … te”.
Anstatt zu antworten, ging er weg.In plaats van te antwoorden, liep hij weg.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · kommen · haben · sagen · hoffen · können · gehen · sehen