Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Vervoeging van können

  • Betekenis kunnen
  • Niveau A1
  • Patroon onregelmatig
  • Hulpwerkwoord haben

Wat bijzonder is aan dit werkwoord

Vet en onderstreept: de uitgang. ◆ markeert een vorm die van de regel afwijkt.

Aantonende wijs

PlusquamperfektPlusquamperfekt (voltooid verleden tijd)

ichhatte gekonnt
duhattest gekonnt
er/​sie/​eshatte gekonnt
wirhatten gekonnt
ihrhattet gekonnt
sie/​Siehatten gekonnt

Meer hierover: Het Plusquamperfekt: wat daarvoor al gebeurd was

Futur IIvoltooid toekomende tijd

ichwerde gekonnt haben
duwirst gekonnt haben
er/​sie/​eswird gekonnt haben
wirwerden gekonnt haben
ihrwerdet gekonnt haben
sie/​Siewerden gekonnt haben

Vormen van de Konjunktiv

Konjunktiv IKonjunktiv I, indirecte rede

ichkönne
dukönnest
er/​sie/​eskönne
wirkönnen
ihrkönnet
sie/​Siekönnen

Konjunktiv IIKonjunktiv II, het onwerkelijke

ichkönnte
dukönntest
er/​sie/​eskönnte
wirkönnten
ihrkönntet
sie/​Siekönnten

Meer hierover: Konjunktiv II: de Duitse “zou”-vorm

Onvervoegde vormen

Voorbeeldzinnen uit de cursus

Elke zin komt uit de woordenlijsten of grammaticathema’s van deze cursus. De werkwoordsvorm is gemarkeerd; eronder staat welke tijd en persoon het is.

  • Kannst du mir helfen?Kun je me helpen?

    Kannst – Präsens · du

  • Kann ich das umtauschen?Kan ik dit ruilen?

    Kann – Präsens · ich; Präsens · er/sie/es

  • Können Sie das begründen?Kunt u dat onderbouwen?

    Können – Präsens · wir; Präsens · sie/Sie

  • Alle konnten gerettet werden.Iedereen kon worden gered.

    konnten – Präteritum · wir; Präteritum · sie/Sie

  • Könnte ich noch eine Serviette haben?Mag ik nog een servet?

    Könnte – Konjunktiv II · ich; Konjunktiv II · er/sie/es

  • Könnten wir bitte die Speisekarte haben?Mogen we de menukaart, alstublieft?

    Könnten – Konjunktiv II · wir; Konjunktiv II · sie/Sie

Typische valkuil

Fout Er kannt gut schwimmen.

Goed Er kann gut schwimmen.

Bijna elk Duits werkwoord heeft in de derde persoon een -t: er macht, er kommt, net als “hij maakt”, “hij komt”. Bij de modale werkwoorden ontbreekt die, en de hand schrijft hem er uit gewoonte toch bij: er kannt. Hier helpt je Nederlands juist: je zegt ook niet “hij kant” of “hij wilt”. De vorm bij ich en bij er is gelijk — ich kann, er kann, ich muss, er muss, ich will, er will.

De zes modale werkwoorden van het Duits

Kort oefenen

Open plekken: 5 – eerst uit de voorbeeldzinnen hierboven, dan uit de tabel. Elk antwoord telt mee voor je herhalingen.

Verder leren

Werkwoorden met hetzelfde patroon

Bijpassende grammaticathema’s

De vormen zijn berekend volgens de regels van de taal – twee keer, langs twee onafhankelijke wegen – en vergeleken met alle met de hand geschreven vormen in deze cursus. De voorbeeldzinnen zijn eigen zinnen van de cursus.