Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A2  ·  Tijden  ·  ca. 4 min

Het juiste hulpwerkwoord in het Perfekt kiezen

“ich habe gearbeitet”, “ich bin gefahren”

De meeste werkwoorden nemen haben; beweging en verandering van toestand nemen sein, en een lijdend voorwerp betekent altijd haben.

Deze woorden heb je nodig3

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • der Baumde boom
  • wachsengroeien
  • einschlafenin slaap vallen

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudEen lijdend voorwerp betekent haben; een reis of een verandering betekent sein.

Wanneer
  1. Voor het verleden
  2. Het verleden
  3. Verleden dat doorwerkt
  4. Het heden
  5. De toekomst
  6. Voltooid in de toekomst

Het verleden — Iets wat gebeurd is, afgesloten is en blijft waar het gebeurde.

Signaalwoorden
  • bin
  • ist
  • sind
  • habe
  • hat
  • haben
  • gegangen
  • gefahren
  • geworden

De vorm

Zo maak je de vormen

Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.

stam (regelmatig) tijdskenmerk hulpwerkwoord

ik heb gewerktich habe gearbeitet
jij hebt gewerktdu hast gearbeitet
hij / zij / het heeft gewerkter / sie / es hat gearbeitet
wij hebben gewerktwir haben gearbeitet
jullie hebben gewerktihr habt gearbeitet
zij / Sie hebben gewerktsie / Sie haben gearbeitet
ik ben gereisdich bin gefahren
jij bent gereisddu bist gefahren
hij / zij / het is gereisder / sie / es ist gefahren
wij zijn gereisdwir sind gefahren
jullie zijn gereisdihr seid gefahren
zij / Sie zijn gereisdsie / Sie sind gefahren
haben — de meeste werkwoordenIch habe gearbeitet.
sein — bewegingIch bin gefahren.
sein — verandering van toestandEr ist eingeschlafen.
sein — de twee buitenbeentjesIch bin gewesen, geblieben.
allebei, naar betekenisIch habe das Auto gefahren.

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Een werkwoord met een lijdend voorwerp neemt haben.

    Ich habe einen Brief geschrieben.Ik heb een brief geschreven.

  2. Werkwoorden van beweging naar een plaats nemen sein.

    Wir sind nach Hause gegangen.We zijn naar huis gegaan.

  3. Werkwoorden die een verandering van toestand beschrijven, nemen sein.

    Der Baum ist schnell gewachsen.De boom is snel gegroeid.

  4. Sein en bleiben nemen tegen het patroon in sein.

    Ich bin zu Hause geblieben.Ik ben thuisgebleven.

Voorbeeldzinnen

Ich habe den ganzen Tag gearbeitet.Ik heb de hele dag gewerkt.

Sie ist um sechs aufgestanden.Ze is om zes uur opgestaan.

Wir sind mit dem Zug gekommen.We zijn met de trein gekomen.

Meer voorbeeldzinnen (8)

Er hat mir geholfen.Hij heeft me geholpen.

Das Kind ist sofort eingeschlafen.Het kind is meteen in slaap gevallen.

Bist du schon aufgewacht?Ben je al wakker?

Ich habe lange geschlafen.Ik heb lang geslapen.

Der Zug ist pünktlich angekommen.De trein is op tijd aangekomen.

Sie hat den Wagen in die Garage gefahren.Ze heeft de auto de garage in gereden.

Wir sind letztes Jahr umgezogen.We zijn vorig jaar verhuisd.

Es ist nichts geschehen.Er is niets gebeurd.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Wie Nederlands spreekt, zegt zonder nadenken “ik ben naar Berlijn gereden” en komt dus vanzelf bij ich bin nach Berlin gefahren. De foute zin met habe ontstaat vooral als je aan “rijden” als bezigheid denkt: “ik heb de hele dag gereden”. In het Nederlands bepaalt de bestemming dan het hulpwerkwoord, in het Duits niet. Fahren neemt alleen haben als er een lijdend voorwerp is, zoals een auto die je bestuurt. Anders is het sein, ook als je de hele dag alleen maar rondgereden hebt.

Fout:Ich habe nach Berlin gefahren.
Goed:Ich bin nach Berlin gefahren.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 46 · Beleefd vragen en bestellen met de KonjunktivTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Net als het Nederlands kiest het Duits in het Perfekt tussen twee hulpwerkwoorden: haben en sein. Het grootste deel van de werkwoorden neemt haben. Sein hoort bij werkwoorden van beweging van de ene plaats naar de andere (gehen, fahren, kommen, fliegen, laufen) en bij werkwoorden van verandering van toestand (aufstehen, einschlafen, wachsen, sterben, werden).

In de meeste gevallen kun je gewoon op je Nederlandse gevoel vertrouwen: “ik ben gekomen” is ich bin gekommen, “ik heb geslapen” is ich habe geschlafen, “ik ben gebleven” is ich bin geblieben, en “ik ben geweest” is ich bin gewesen. Dat is een groot voordeel ten opzichte van sprekers van talen met maar één hulpwerkwoord.

Het gevoel laat je in de steek bij twee groepen. Ten eerste werkwoorden waar het Nederlands “zijn” neemt en het Duits haben: “ik ben het vergeten” (ich habe es vergessen), “ik ben begonnen” (ich habe angefangen), “ik ben gestopt” (ich habe aufgehört). Ten tweede bewegingswerkwoorden zonder bestemming, waar het Nederlands “hebben” neemt en het Duits sein: “ik heb gezwommen” wordt ich bin geschwommen.

Eén test beslist de twijfelgevallen: een lijdend voorwerp betekent altijd haben. Ich habe das Auto in die Garage gefahren heeft een voorwerp; ich bin nach Bonn gefahren niet. Hetzelfde werkwoord, twee hulpwerkwoorden.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: een lijstje afwijkers

    De meeste Duitse werkwoorden kiezen hetzelfde hulpwerkwoord als hun Nederlandse broertje. Een kort lijstje doet het anders, en juist die werkwoorden gebruik je dagelijks. Met haben waar wij “zijn” zeggen: vergessen, anfangen, beginnen, aufhören, heiraten, abnehmen(“afvallen”)zunehmen(“aankomen”) Met sein waar wij vaak “hebben” zeggen: laufen, schwimmen, wandern, Rad fahren. In Zuid-Duitsland en Oostenrijk zegt men bovendien ich bin gesessen en ich bin gestanden, waar het noorden habe gebruikt.

    Wir haben letztes Jahr geheiratet.We zijn vorig jaar getrouwd.

  2. Goed om te weten

    Het hulpwerkwoord gaat mee naar andere tijden

    Welk hulpwerkwoord een werkwoord in het Perfekt neemt, neemt het ook in het Plusquamperfekt (war gefahren) en in de Konjunktiv II van het verleden (wäre gefahren). Eén keer goed leren is dus drie keer winst. Leer het hulpwerkwoord daarom samen met het voltooid deelwoord, als één woordje: ist gefahren, hat vergessen.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · kommen · bleiben · gehen · arbeiten · schreiben · helfen

Verwante thema’s