Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Het leerpad

Alle grammaticathema’s (108) in de volgorde waarin ze op elkaar voortbouwen — genummerd van 1 tot 108.

Je voortgang in één oogopslag

Elk blad is een categorie: binnenin de makkelijke thema’s, aan de buitenkant de moeilijke. Tik op een blad om alleen de thema’s daarvan te zien.

  1. A1Jezelf voorstellen, vragen stellen, alledaagse dingen zeggen.
  2. Eerst de woorden · 8Het Duitse alfabet en hardop spellen1 · Alfabet en uitspraakZesentwintig letters plus vier, met namen die bijna allemaal op de Nederlandse lijken.
  3. Eerst de woorden · 9Eerst de woorden · 9Eerst de woorden · 8Klinkers, Umlaut en ei/ie2 · Alfabet en uitspraakElke klinker is lang of kort, en de spelling laat meestal zien welke van de twee.
  4. Eerst de woorden · 8Eerst de woorden · 8Medeklinkers: w, v, z, s, j en g3 · Alfabet en uitspraakBekende letters met een andere klank — en een g die altijd hard is.
  5. Eerst de woorden · 8Eerst de woorden · 8Eerst de woorden · 6ch, sch, sp, st en stemloze eindklanken4 · Alfabet en uitspraakTwee klanken voor ch, een “sj” in sch, sp en st, en eindklanken die hard worden — net als in het Nederlands.
  6. Eerst de woorden · 7Eerst de woorden · 6Klemtoon, hoofdletters en de scherpe s5 · Alfabet en uitspraakKlemtoon op de eerste lettergreep, geen accenttekens en een hoofdletter voor elk zelfstandig naamwoord.
  7. Eerst de woorden · 8Eerst de woorden · 7De vier naamvallen in één overzicht6 · De vier naamvallenVier rollen voor een zelfstandig naamwoord, vier reeksen vormen — en één tabel die je het best als eerste leert.
  8. Eerst de woorden · 6Eerst de woorden · 6Het bepaalde lidwoord en zijn zestien vakjes7 · LidwoordenZes verschillende woorden voor zestien taken — minder vormen dan de tabel doet vermoeden.
  9. Eerst de woorden · 9Tegenwoordige tijd: uitgangen aan de stam8 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamStam plus -e, -st, -t, -en, -t, -en — en één vorm voor “ik werk” en “ik ben aan het werken”.
  10. Eerst de woorden · 4Het werkwoord op de tweede plaats9 · WoordvolgordeEén zinsdeel voor het werkwoord — welk je maar wilt, maar maar één.
  11. Eerst de woorden · 5De zes modale werkwoorden van het Duits10 · Modale werkwoordenEén onregelmatig patroon, zes werkwoorden en een hoofdwerkwoord dat achteraan in de zin wacht.
  12. Eerst de woorden · 7Eerst de woorden · 7De drie geslachten11 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenGeen eigenschap van het ding — een eigenschap van het woord.
  13. Eerst de woorden · 7Eerst de woorden · 6Voorzetsels met de Akkusativ12 · VoorzetselsVijf woorden, één naamval, geen uitzonderingen — leer ze als één rijtje.
  14. Eerst de woorden · 6Getallen, data en tijden13 · AfwerkingDrie systemen die bijna precies zo werken als in het Nederlands — de verschillen zitten in de spelling.
  15. Eerst de woorden · 3Nominativ — de eerste naamval14 · De vier naamvallenWie iets doet — en het enige zinsdeel waarnaar de persoonsvorm zich richt.
  16. Eerst de woorden · 8Het onbepaalde lidwoord en zijn familie15 · LidwoordenEén patroon voor negen woorden — en drie vakjes waarin het helemaal niets zegt.
  17. Eerst de woorden · 4Het Perfekt: de verleden tijd van het gesprek16 · TijdenEen vorm van haben of sein plus een voltooid deelwoord achteraan — zo vertellen Duitsers over gisteren.
  18. Eerst de woorden · 4“Sein” en “haben”: zijn en hebben17 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamTwee onregelmatige werkwoorden die je uit je hoofd leert — en die later alle voltooide tijden dragen.
  19. Eerst de woorden · 4Persoonlijke voornaamwoorden in drie naamvallen18 · VoornaamwoordenElke vorm heeft drie naamvallen, en de Dativ-vormen komen veel vaker voor dan je verwacht.
  20. Eerst de woorden · 6Bijvoeglijk naamwoord na “sein”19 · Bijvoeglijke naamwoordenNa sein, werden en bleiben verandert een bijvoeglijk naamwoord nooit — precies zoals na “zijn”, “worden” en “blijven”.
  21. Eerst de woorden · 4Vragen20 · WoordvolgordeHet werkwoord schuift naar voren, net als in het Nederlands.
  22. Eerst de woorden · 4Ontkennen met “kein” of met “nicht”21 · OntkenningWaar je in het Nederlands “geen” zegt, zeg je in het Duits kein; waar je “niet” zegt, nicht.
  23. Eerst de woorden · 7Akkusativ — de vierde naamval22 · De vier naamvallenEén lidwoord verandert, en die ene verandering is het grootste deel van de Akkusativ.
  24. Eerst de woorden · 8Voorzetsel en lidwoord samengetrokken23 · LidwoordenEen tiental samengetrokken vormen die geen afkorting zijn, maar de gewone manier om het te zeggen.
  25. Eerst de woorden · 10“mögen” en “möchten”: houden van en graag willen24 · Modale werkwoordenEén werkwoord voor iets lekker of leuk vinden, een andere vorm ervan voor iets graag willen — en ze zijn niet uitwisselbaar.
  26. Eerst de woorden · 1Het meervoud25 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenEr is geen standaardvorm. Het meervoud leer je met het woord, net als het geslacht.
  27. Eerst de woorden · 4Voorzetsels met de Dativ26 · VoorzetselsDe zeven die het meeste werk doen in het dagelijkse Duits — en hun samengetrokken vormen.
  28. Eerst de woorden · 4Spelling en uitspraak27 · AfwerkingDe Duitse spelling is bijna regelmatig, dus een geschreven woord zegt hoe je het uitspreekt — als je een paar regels kent en een paar Nederlandse gewoontes loslaat.
  29. Eerst de woorden · 1Scheidbare werkwoorden: het deeltje achteraan28 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamHetzelfde principe als “opstaan” en “aankomen” — maar het deeltje staat in het Duits echt helemaal achteraan.
  30. Eerst de woorden · 4Opdrachten geven29 · WoordvolgordeDrie gebiedende vormen: twee laten het voornaamwoord weg, één houdt het.
  31. Eerst de woorden · 4Dativ — de derde naamval30 · De vier naamvallenAan wie, voor wie — en na een vaste lijst voorzetsels en een vaste lijst werkwoorden.
  32. Eerst de woorden · 5Bezittelijke voornaamwoorden en hun uitgangen31 · LidwoordenZeven bezittelijke voornaamwoorden die verbuigen als ein — en één woord voor “haar”, “hun” en “uw”.
  33. A2Vertellen wat er gebeurd is en zeggen wat er komt.
  34. Eerst de woorden · 5De toekomende tijd (Futur I) en wanneer je hem niet nodig hebt32 · TijdenHet Duits zegt de toekomst meestal in de tegenwoordige tijd en bewaart werden voor voorspellingen en beloftes.
  35. Eerst de woorden · 6Wisselvoorzetsels: in, auf33 · VoorzetselsDativ voor een plaats, Akkusativ voor een beweging — één vraag beslist alle negen.
  36. Eerst de woorden · 3Sterke werkwoorden: drie vormen met wisselende klinker34 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamHet systeem van “zingen — zong — gezongen” ken je al. Nieuw is dat de klinker soms ook in de tegenwoordige tijd wisselt.
  37. Eerst de woorden · 7Samengestelde zelfstandige naamwoorden35 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenLees het laatste deel om te weten wat het is, en de delen ervoor om te weten welk.
  38. Eerst de woorden · 9Wederkerende voornaamwoorden: zich en zijn Duitse vormen36 · VoornaamwoordenHet systeem lijkt sterk op het Nederlandse “me, je, zich”, maar het Duits heeft twee naamvallen en geen “elkaar”.
  39. Eerst de woorden · 1Vergrotende en overtreffende trap37 · Bijvoeglijke naamwoordenHet Duits zegt nooit “meer interessant”: elk bijvoeglijk naamwoord krijgt de uitgang, hoe lang het ook is.
  40. Eerst de woorden · 6dass, weil, wenn: werkwoord aan het eind38 · BijzinnenDe drie meest gebruikte voegwoorden, en de ene positie die ze allemaal geven.
  41. Eerst de woorden · 3De plaats van “nicht” in de zin39 · OntkenningOntken je de hele zin, dan staat nicht laat; ontken je een enkel woord, dan staat het er vlak voor.
  42. Eerst de woorden · 4Niet hoeven of niet mogen: “nicht müssen” en “nicht dürfen”40 · Modale werkwoordenDe plek waar een ontkenning de betekenis omdraait — en waar het Nederlandse “moeten” je op het verkeerde been zet.
  43. Eerst de woorden · 2Geen lidwoord bij beroep, stof en meervoud41 · LidwoordenBeroepen, nationaliteiten, stoffen en het onbepaalde meervoud staan vaak zonder lidwoord — bijna overal zoals in het Nederlands.
  44. Het middenveld: bekend voor nieuw42 · WoordvolgordeNiet vrij, maar geordend naar een principe: bekende dingen vroeg, nieuwe laat.
  45. Eerst de woorden · 4Wat de tegenwoordige tijd allemaal doet43 · TijdenNu, altijd, morgen en sinds wanneer — alles in één vorm.
  46. Eerst de woorden · 2Ergens heen gaan: “nach”, “zu”, “in”, “auf”44 · VoorzetselsVier voorzetsels voor een bestemming, gekozen naar het soort plaats.
  47. Eerst de woorden · 3Het juiste hulpwerkwoord in het Perfekt kiezen45 · TijdenDe meeste werkwoorden nemen haben; beweging en verandering van toestand nemen sein, en een lijdend voorwerp betekent altijd haben.
  48. Eerst de woorden · 3Beleefd vragen en bestellen met de Konjunktiv46 · KonjunktivEen handvol Konjunktiv-vormen draagt bijna alle Duitse beleefdheid, en je hoort ze lang voordat je de grammatica leert.
  49. Eerst de woorden · 3De gebiedende wijs47 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamDrie vormen voor drie manieren van aanspreken — en een klein woordje dat een bevel in een uitnodiging verandert.
  50. Eerst de woorden · 2Werkwoorden die een Dativ vragen48 · De vier naamvallenEen korte lijst werkwoorden met maar één voorwerp, en dat voorwerp staat in de Dativ — ook waar het Nederlands een lijdend voorwerp heeft.
  51. Eerst de woorden · 2Verkleinwoorden: -chen en -lein49 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenTwee uitgangen die een woord kleiner maken, het onzijdig maken en soms de betekenis helemaal veranderen.
  52. Eerst de woorden · 3Onbepaalde voornaamwoorden: iemand, niemand, alles50 · VoornaamwoordenEen klein rijtje woorden voor onbepaalde personen en zaken, waarvan sommige nog een naamvalsuitgang krijgen.
  53. Eerst de woorden · 1Vergelijken: “so … wie” en “als”51 · Bijvoeglijke naamwoordenGelijkheid krijgt wie, verschil krijgt als — en dat is precies één plek verschoven ten opzichte van het Nederlands.
  54. Eerst de woorden · 3Wanneer: als, wenn, wann52 · BijzinnenDrie woorden, en het Nederlandse “als” betekent in het Duits iets anders dan je denkt.
  55. Eerst de woorden · 2Een ontkenning tegenspreken met “doch”53 · OntkenningDoch is het Duitse “jawel”: een ja als antwoord op een ontkennende vraag of bewering.
  56. Eerst de woorden · 2Formeel en informeel: “du”, “Sie”54 · AfwerkingNet als in het Nederlands kies je in elke zin een beleefdheidsniveau — maar de werkwoordsvorm is anders.
  57. Eerst de woorden · 3Ergens zijn: in, an, auf, bei55 · VoorzetselsVier voorzetsels voor een plaats, allemaal met de Dativ — en ze liggen dicht bij het Nederlands.
  58. Eerst de woorden · 2Tijd aangeven: sinds, geleden, over en voor56 · TijdenVier voorzetsels van tijd die in het Nederlands anders heten — en de tijd die het Duits bij elk ervan gebruikt.
  59. Eerst de woorden · 5“sollen”: opdrachten en wat men zegt57 · Modale werkwoordenEen verplichting die van iemand anders komt, en een tweede gebruik dat doorvertelt wat er gezegd wordt.
  60. Eerst de woorden · 2Aanwijzen in het Duits: dichtbij en veraf58 · LidwoordenHet Duits wijst aan met dieser — en nog vaker met een beklemtoond der, precies zoals jij “die” zegt.
  61. Eerst de woorden · 1De eerste plaats (Vorfeld)59 · WoordvolgordePrecies één zinsdeel staat voor het werkwoord — en welk je kiest, is een keuze, geen formaliteit.
  62. Eerst de woorden · 1Onscheidbare werkwoorden: be-, ver-60 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamAcht onbeklemtoonde voorvoegsels die vast blijven zitten en geen ge- in het voltooid deelwoord krijgen.
  63. Eerst de woorden · 3Het geslacht raden aan de uitgang61 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenEen stuk of twaalf uitgangen beslissen het geslacht, en dat dekt een groot deel van de woordenschat.
  64. Eerst de woorden · 1Vraagwoorden: wie, welke en wat voor62 · VoornaamwoordenHet vraagwoord voor personen wordt verbogen zoals het lidwoord, en voor “welk” en “wat voor” heeft het Duits twee aparte woorden.
  65. Eerst de woorden · 3Bijvoeglijk naamwoord als bijwoord63 · Bijvoeglijke naamwoordenHetzelfde woord beschrijft een ding en een handeling, zonder uitgang — net als in het Nederlands.
  66. Eerst de woorden · 3Een reden geven: weil, da, denn64 · BijzinnenDrie woorden voor een reden, en elk zet het werkwoord ergens anders.
  67. Eerst de woorden · 1Nog niet en niet meer: “noch nicht”, “nicht mehr”65 · OntkenningNoch nicht, nicht mehr en kein … mehr zijn woord voor woord “nog niet”, “niet meer” en “geen … meer”.
  68. Eerst de woorden · 3Ergens vandaan komen: aus en von66 · Voorzetselsaus als je erin was, von als je er alleen bij was — het spiegelbeeld van in en zu.
  69. Eerst de woorden · 2Het voltooid deelwoord vormen67 · TijdenDrie patronen, twee gevallen zonder ge- en één geval waarin ge- naar binnen schuift.
  70. B1Verbanden uitleggen, redenen geven, verslag doen.
  71. Eerst de woorden · 3Werkwoorden met een vast voorzetsel68 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamHet voorzetsel hoort bij het werkwoord, en de naamval die erbij hoort ook — geen van beide kun je afleiden.
  72. Eerst de woorden · 1Betrekkelijke bijzinnen69 · BijzinnenHet betrekkelijk voornaamwoord lijkt op het lidwoord, neemt zijn geslacht uit de ene zin en zijn naamval uit de andere.
  73. Eerst de woorden · 1Zwakke mannelijke zelfstandige naamwoorden70 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenEen kleine groep mannelijke woorden die in elke naamval behalve één -n krijgt — en het zijn woorden die je elke dag gebruikt.
  74. Eerst de woorden · 3Het onpersoonlijke onderwerp: men en het lege het71 · VoornaamwoordenHet ene staat voor iedereen, het andere voor niets en houdt alleen een plaats in de zin bezet.
  75. Eerst de woorden · 7Verbindingswoorden: deshalb, trotzdem72 · AfwerkingBijwoorden die zinnen verbinden en de eerste plaats innemen, zodat het werkwoord voor het onderwerp komt.
  76. Eerst de woorden · 2Genitiv — de tweede naamval73 · De vier naamvallenGeschreven Duits gebruikt hem; gesproken Duits zegt meestal von met Dativ.
  77. Eerst de woorden · 1Uitgangen van het bijvoeglijk naamwoord voor een zelfstandig naamwoord74 · Bijvoeglijke naamwoordenEén principe in plaats van drie tabellen: de uitgang zegt wat het lidwoord niet heeft gezegd.
  78. Eerst de woorden · 3Het Präteritum: de verleden tijd van boeken en berichten75 · TijdenDe verleden tijd van verhalen en kranten — plus een klein groepje werkwoorden dat hem ook in de spreektaal houdt.
  79. Eerst de woorden · 3Konjunktiv II: de Duitse “zou”-vorm76 · KonjunktivEén vorm voor wat niet waar is, voor goede raad en voor beleefdheid.
  80. Eerst de woorden · 6Voorzetsels met de Genitiv77 · VoorzetselsHet register van geschreven Duits — en een duidelijk geval waar de spreektaal al verder is.
  81. Eerst de woorden · 2De zinsklem78 · WoordvolgordeHet werkwoord opent de zin en iets sluit hem — en al het andere staat ertussen.
  82. Eerst de woorden · 2Ontkennende woorden als “nie”, “nichts” en “niemand”79 · OntkenningElk ontkennend woord heeft een Nederlandse tegenhanger, en net als in het Nederlands is er één per zin genoeg.
  83. Eerst de woorden · 4Werkwoorden die altijd wederkerend zijn80 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamEen groep werkwoorden waarvan het wederkerend voornaamwoord geen voorwerp is, maar bij het werkwoord hoort.
  84. Eerst de woorden · 1Indirecte vragen en zinnen met zu81 · BijzinnenEen vraag binnen een zin is geen vraag meer — en een zin zonder eigen onderwerp krijgt zu.
  85. Eerst de woorden · 1Nominalisering: “das Essen”82 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenElke infinitief kan een onzijdig zelfstandig naamwoord worden, en elk bijvoeglijk naamwoord een dat zijn uitgangen houdt.
  86. Eerst de woorden · 2Aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden83 · VoornaamwoordenDezelfde woorden zijn lidwoord, betrekkelijk voornaamwoord en aanwijzend voornaamwoord dat een heel zelfstandig naamwoord vervangt.
  87. Hoofdletters84 · AfwerkingHet Duits geeft elk zelfstandig naamwoord een hoofdletter — en het moeilijke is bepalen wat er een is.
  88. Eerst de woorden · 6Infinitief met en zonder zu85 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamDe meeste werkwoorden willen zu voor een tweede infinitief; de modale werkwoorden en een korte lijst andere niet.
  89. Modale werkwoorden zonder tweede werkwoord86 · Modale werkwoordenHet Duits laat een modaal werkwoord alleen staan als het ontbrekende werkwoord vanzelf spreekt — net als het Nederlands.
  90. Eerst de woorden · 4Lijdende vorm met “werden”87 · De lijdende vormwerden plus voltooid deelwoord: de handeling staat centraal, wie het doet blijft vaak bewust buiten beeld.
  91. Eerst de woorden · 2Twee voorwerpen in één zin88 · De vier naamvallenDe persoon staat in de Dativ, het ding in de Akkusativ — en de volgorde hangt ervan af of het zelfstandige naamwoorden of voornaamwoorden zijn.
  92. Eerst de woorden · 4Lidwoord bij lichaamsdelen, seizoenen en landen89 · LidwoordenBij lichaamsdelen, maanden en sommige landen zet het Duits een lidwoord — bij beroepen juist niet, net als het Nederlands.
  93. Eerst de woorden · 2Bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoord90 · Bijvoeglijke naamwoordenHet Duits maakt van een bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig naamwoord met een hoofdletter — en de uitgangen blijven die van een bijvoeglijk naamwoord.
  94. Voegwoorden en woordvolgorde91 · BijzinnenVijf voegwoorden veranderen niets; alle andere sturen het werkwoord naar het eind.
  95. Eerst de woorden · 6Tussen-s en tussen-n in samenstellingen92 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenDe -s en -n tussen de twee helften van een samenstelling, en wat ze niet zijn.
  96. Eerst de woorden · 3Het woordje es en zijn vier taken93 · VoornaamwoordenEen onderwerp dat nergens naar verwijst, een plaatsvervanger die verdwijnt, en de vaste combinatie die iedereen nodig heeft: es gibt.
  97. Eerst de woorden · 5Waar de komma staat94 · AfwerkingDuitse komma’s zijn grammaticaal, niet ritmisch: een zinsgrens krijgt er een, of iemand nu pauzeert of niet.
  98. Eerst de woorden · 3Gemengde werkwoorden: bringen, brachte95 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamEen kleine groep met de zwakke -t-uitgang die toch van klinker wisselt.
  99. Eerst de woorden · 4Doel: um … zu, damit96 · BijzinnenTwee manieren om een doel te noemen, en één regel beslist: hebben beide helften hetzelfde onderwerp?
  100. Eerst de woorden · 2Het Plusquamperfekt: wat daarvoor al gebeurd was97 · TijdenHatte of war met een voltooid deelwoord — voor wat al voorbij was toen iets anders gebeurde.
  101. Eerst de woorden · 1Konjunktiv II met hulpwerkwoord of met eigen vorm98 · KonjunktivEen kant-en-klare Konjunktiv voor elk werkwoord — gebruikt waar de eigen vorm onherkenbaar zou zijn, en niet waar hij kort en bekend is.
  102. Eerst de woorden · 3Voorzetsels die bij een werkwoord horen99 · VoorzetselsHet voorzetsel hoort bij het werkwoord en legt de naamval vast — en het lijkt vaak op het Nederlandse, maar niet altijd.
  103. Eerst de woorden · 4Volgorde van bepalingen: TeKaMoLo100 · WoordvolgordeKomen er meerdere bepalingen samen, dan heeft het Duits een standaardvolgorde: wanneer, waarom, hoe, waar.
  104. Eerst de woorden · 3Ontkenning in het woord: “un-”, “-los”, “-frei”101 · OntkenningHet Duits bouwt ontkennende woorden bijna zoals het Nederlands: un- is “on-”, -los is “-loos” en -frei is “-vrij”.
  105. Eerst de woorden · 2“Von” met Dativ in plaats van de Genitiv102 · De vier naamvallenGesproken Duits vervangt de Genitiv door von met Dativ, geschreven Duits doet dat niet.
  106. Eerst de woorden · 3Uitgangen zonder lidwoord: “kaltes Wasser”103 · Bijvoeglijke naamwoordenStaat er geen lidwoord voor, dan neemt het bijvoeglijk naamwoord de uitgangen van het lidwoord over.
  107. Eerst de woorden · 6Leenwoorden en hun meervoud104 · Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingenHet meervoud op -s hoort bij leenwoorden, en Griekse en Latijnse woorden houden hun eigen uitgangen.
  108. Eerst de woorden · 3Zelfstandig gebruikte bezittelijke voornaamwoorden105 · VoornaamwoordenZonder zelfstandig naamwoord erachter krijgt het bezittelijk voornaamwoord de uitgangen van het bepaald lidwoord.
  109. Tweedelige verbindingen: “entweder … oder”, “weder … noch”106 · AfwerkingVijf paren die twee alternatieven of twee toevoegingen omlijsten — en ze lijken sterk op het Nederlands.
  110. Eerst de woorden · 1Onpersoonlijke werkwoorden: es regnet107 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stamWeer, toestanden en gevoelens die iemand overkomen in plaats van dat hij ze doet.
  111. Eerst de woorden · 3Voorwaardelijke zinnen: wenn en falls108 · BijzinnenTwee woorden voor “als”, en een derde vorm die het woord helemaal weglaat.

De finish: de hele grammatica

Alle thema’s (108), van de eerste zinnen tot de laatste puntjes op de i.

Zo lees je het pad. Elke stip is een grammaticathema; een klik opent het. De kleur van een stip is de categorie, de kleur van het pad de moeilijkheid — groen en makkelijk bovenaan, bessenrood en moeilijk onderaan. Binnen een niveau staan de categorieën achter elkaar, maar je hoeft ze niet op volgorde te volgen: wie aan een thema over de tijden werkt, kan ernaast een thema uit een andere categorie leren.

Op elke themapagina kun je vastleggen hoe goed het thema zit — begrepen of nog onzeker. Het pad toont dat hier en markeert het volgende open thema.

Je voortgang staat alleen in je browser. Zonder JavaScript staan alle thema’s gewoon op een rij, alleen zonder je voortgang.

Alle thema’s in een overzicht Wat elk niveau betekent