B1 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stam · ca. 4 min
Gemengde werkwoorden: bringen, brachte
bringen, denken, kennen, wissen, nennen
Een kleine groep met de zwakke -t-uitgang die toch van klinker wisselt.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (2) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig3
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- rennenrennen
- bringenbrengen, meenemen
- brennenbranden
Begrijpen
OnthoudZwakke uitgang, sterke klinker — negen werkwoorden, allemaal gewoon.
- Signaalwoorden
- brachte
- dachte
- wusste
- kannte
- nannte
- rannte
De vorm
Zo maak je de vormen
Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.
stam (regelmatig) stam (onregelmatig) tijdskenmerk persoonsuitgang
| bringen | brachte, gebracht |
| denken | dachte, gedacht |
| wissen | wusste, gewusst |
| kennen, nennen, rennen | kannte, nannte, rannte |
| brennen, senden, wenden | brannte, sandte, wandte |
| ik bracht | ich brachte |
| jij bracht | du brachtest |
| hij / zij / het bracht | er / sie / es brachte |
| wij brachten | wir brachten |
| jullie brachten | ihr brachtet |
| zij / u brachten | sie / Sie brachten |
| ik weet | ich weiß |
| jij weet | du weißt |
| hij / zij / het weet | er / sie / es weiß |
| wij weten | wir wissen |
| jullie weten | ihr wisst |
| zij / u weten | sie / Sie wissen |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaat
Gemengde werkwoorden krijgen de zwakke -t en veranderen hun klinker.
Ich habe an dich gedacht.Ik heb aan je gedacht.
Bij zes ervan wordt e een a, en een dubbele n blijft dubbel.
Ich kannte ihn gut.Ik kende hem goed.
wissen heeft ook een onregelmatige tegenwoordige tijd: ich weiß, du weißt.
Weißt du das?Weet jij dat?
Ze nemen haben in de voltooide tijd, behalve rennen.
Er ist nach Hause gerannt.Hij is naar huis gerend.
Voorbeeldzinnen
Sie hat uns Blumen gebracht.Ze heeft bloemen voor ons meegebracht.
Ich wusste das nicht.Dat wist ik niet.
Wir kannten uns schon lange.We kenden elkaar al lang.
Meer voorbeeldzinnen (8)
Er dachte an früher.Hij dacht aan vroeger.
Das Licht brannte die ganze Nacht.Het licht brandde de hele nacht.
Wer hat das gebracht?Wie heeft dat gebracht?
Ich dachte, du kommst später.Ik dacht dat je later kwam.
Sie nannte kein Datum.Ze noemde geen datum.
Wusstest du das schon?Wist je dat al?
Wir haben uns an ihn gewandt.We hebben ons tot hem gewend.
Er kannte den Weg nicht.Hij kende de weg niet.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Beide fouten behandelen het werkwoord als helemaal zwak, en dat is half goed: de uitgang is zwak, de klinker niet. Hier helpt het Nederlands: wie “bracht” en “dacht” zegt, zegt ook brachte en dachte. Alleen bij kennen en nennen zegt het Nederlands “kende” en “noemde”, en daar gaat het dan mis.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 96 · Doel: um … zu, damitTerug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Duitse werkwoorden zijn zwak (machen, machte, gemacht) of sterk (fahren, fuhr, gefahren). Zo’n negen zitten ertussen: ze krijgen de zwakke -t in de verleden tijd en het deelwoord, en ze veranderen toch hun klinker.
Het Nederlands kent zulke werkwoorden ook: “brengen – bracht – gebracht”, “denken – dacht – gedacht”, “kopen – kocht – gekocht”. Daardoor herken je ze meteen: bringen → brachte, gebracht, denken → dachte, gedacht, wissen → wusste, gewusst.
Zes ervan volgen precies één patroon: e wordt a en een dubbele n blijft dubbel: brennen → brannte, kennen → kannte, nennen → nannte, rennen → rannte, senden → sandte, wenden → wandte. Zes werkwoorden voor de prijs van één.
Nader bekeken
kennen en wissen zijn niet hetzelfde woord
Het Nederlands maakt hetzelfde onderscheid als het Duits: kennen is “kennen” (een persoon, een plaats, een ding), wissen is “weten” (een feit, vaak gevolgd door een bijzin): Ich kenne ihn, Ich weiß, dass er kommt.
Hier kun je dus gewoon je Nederlandse gevoel volgen. Wie “ik weet” zou zeggen, zegt ich weiß; wie “ik ken” zou zeggen, zegt ich kenne.
Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
Uitzondering
Als senden of wenden uitzenden of keren betekent
dan worden de zwakke vormen gebruikt.
Der Sender sendete live.De zender zond live uit.
Waarom? De twee werkwoorden splitsen naar betekenis: sendetevoor uitzendensandtevoor een brief sturen
Uitzondering
Als rennen in de voltooide tijd staat
dan neemt het sein, niet haben.
Sie ist zum Bus gerannt.Ze is naar de bus gerend.
Waarom? Het is een werkwoord van beweging van de ene plek naar de andere, net als “rennen” in het Nederlands.
Goed om te weten2
Goed om te weten
wissen gedraagt zich als een modaal werkwoord
De tegenwoordige tijd heeft geen uitgang in de eerste en derde persoon en verandert van klinker: ich weiß, du weißt, er weiß, wir wissen. Dat is het patroon van de modale werkwoorden — en ook het Nederlandse “ik weet, hij weet” heeft geen “-t” in de derde persoon zoals andere werkwoorden.
Goed om te weten
De verleden tijd van deze werkwoorden wordt nog gesproken
In het Duitse gesprek vermijdt men de onvoltooid verleden tijd meestal en gebruikt de voltooide tijd. Deze werkwoorden zijn, samen met sein, haben en de modale werkwoorden, een uitzondering: ich wusste, ich dachte, ich kannte hoor je veel vaker dan hun voltooide vormen.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · kennen · wissen · sein · bringen · denken · brennen