Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

B1  ·  Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stam  ·  ca. 4 min

Gemengde werkwoorden: bringen, brachte

bringen, denken, kennen, wissen, nennen

Een kleine groep met de zwakke -t-uitgang die toch van klinker wisselt.

Deze woorden heb je nodig3

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • rennenrennen
  • bringenbrengen, meenemen
  • brennenbranden

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudZwakke uitgang, sterke klinker — negen werkwoorden, allemaal gewoon.

Signaalwoorden
  • brachte
  • dachte
  • wusste
  • kannte
  • nannte
  • rannte

De vorm

Zo maak je de vormen

Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.

stam (regelmatig) stam (onregelmatig) tijdskenmerk persoonsuitgang

bringenbrachte, gebracht
denkendachte, gedacht
wissenwusste, gewusst
kennen, nennen, rennenkannte, nannte, rannte
brennen, senden, wendenbrannte, sandte, wandte
ik brachtich brachte
jij brachtdu brachtest
hij / zij / het brachter / sie / es brachte
wij brachtenwir brachten
jullie brachtenihr brachtet
zij / u brachtensie / Sie brachten
ik weetich weiß
jij weetdu weißt
hij / zij / het weeter / sie / es weiß
wij wetenwir wissen
jullie wetenihr wisst
zij / u wetensie / Sie wissen

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaat

  1. Gemengde werkwoorden krijgen de zwakke -t en veranderen hun klinker.

    Ich habe an dich gedacht.Ik heb aan je gedacht.

  2. Bij zes ervan wordt e een a, en een dubbele n blijft dubbel.

    Ich kannte ihn gut.Ik kende hem goed.

  3. wissen heeft ook een onregelmatige tegenwoordige tijd: ich weiß, du weißt.

    Weißt du das?Weet jij dat?

  4. Ze nemen haben in de voltooide tijd, behalve rennen.

    Er ist nach Hause gerannt.Hij is naar huis gerend.

Voorbeeldzinnen

Sie hat uns Blumen gebracht.Ze heeft bloemen voor ons meegebracht.

Ich wusste das nicht.Dat wist ik niet.

Wir kannten uns schon lange.We kenden elkaar al lang.

Meer voorbeeldzinnen (8)

Er dachte an früher.Hij dacht aan vroeger.

Das Licht brannte die ganze Nacht.Het licht brandde de hele nacht.

Wer hat das gebracht?Wie heeft dat gebracht?

Ich dachte, du kommst später.Ik dacht dat je later kwam.

Sie nannte kein Datum.Ze noemde geen datum.

Wusstest du das schon?Wist je dat al?

Wir haben uns an ihn gewandt.We hebben ons tot hem gewend.

Er kannte den Weg nicht.Hij kende de weg niet.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Beide fouten behandelen het werkwoord als helemaal zwak, en dat is half goed: de uitgang is zwak, de klinker niet. Hier helpt het Nederlands: wie “bracht” en “dacht” zegt, zegt ook brachte en dachte. Alleen bij kennen en nennen zegt het Nederlands “kende” en “noemde”, en daar gaat het dan mis.

Fout:Ich habe an dich gedenkt. Ich habe es gewisst.
Goed:Ich habe an dich gedacht. Ich habe es gewusst.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 96 · Doel: um … zu, damitTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Duitse werkwoorden zijn zwak (machen, machte, gemacht) of sterk (fahren, fuhr, gefahren). Zo’n negen zitten ertussen: ze krijgen de zwakke -t in de verleden tijd en het deelwoord, en ze veranderen toch hun klinker.

Het Nederlands kent zulke werkwoorden ook: “brengen – bracht – gebracht”, “denken – dacht – gedacht”, “kopen – kocht – gekocht”. Daardoor herken je ze meteen: bringen → brachte, gebracht, denken → dachte, gedacht, wissen → wusste, gewusst.

Zes ervan volgen precies één patroon: e wordt a en een dubbele n blijft dubbel: brennen → brannte, kennen → kannte, nennen → nannte, rennen → rannte, senden → sandte, wenden → wandte. Zes werkwoorden voor de prijs van één.

Nader bekeken

kennen en wissen zijn niet hetzelfde woord

Het Nederlands maakt hetzelfde onderscheid als het Duits: kennen is “kennen” (een persoon, een plaats, een ding), wissen is “weten” (een feit, vaak gevolgd door een bijzin): Ich kenne ihn, Ich weiß, dass er kommt.

Hier kun je dus gewoon je Nederlandse gevoel volgen. Wie “ik weet” zou zeggen, zegt ich weiß; wie “ik ken” zou zeggen, zegt ich kenne.

Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
  1. Uitzondering

    Als senden of wenden uitzenden of keren betekent

    dan worden de zwakke vormen gebruikt.

    Der Sender sendete live.De zender zond live uit.

    Waarom? De twee werkwoorden splitsen naar betekenis: sendetevoor uitzendensandtevoor een brief sturen

  2. Uitzondering

    Als rennen in de voltooide tijd staat

    dan neemt het sein, niet haben.

    Sie ist zum Bus gerannt.Ze is naar de bus gerend.

    Waarom? Het is een werkwoord van beweging van de ene plek naar de andere, net als “rennen” in het Nederlands.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    wissen gedraagt zich als een modaal werkwoord

    De tegenwoordige tijd heeft geen uitgang in de eerste en derde persoon en verandert van klinker: ich weiß, du weißt, er weiß, wir wissen. Dat is het patroon van de modale werkwoorden — en ook het Nederlandse “ik weet, hij weet” heeft geen “-t” in de derde persoon zoals andere werkwoorden.

  2. Goed om te weten

    De verleden tijd van deze werkwoorden wordt nog gesproken

    In het Duitse gesprek vermijdt men de onvoltooid verleden tijd meestal en gebruikt de voltooide tijd. Deze werkwoorden zijn, samen met sein, haben en de modale werkwoorden, een uitzondering: ich wusste, ich dachte, ich kannte hoor je veel vaker dan hun voltooide vormen.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · kennen · wissen · sein · bringen · denken · brennen

Verwante thema’s