Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A2  ·  Voornaamwoorden  ·  ca. 4 min

Vraagwoorden: wie, welke en wat voor

“wer, wen, wem, wessen, welcher, was für ein”

Het vraagwoord voor personen wordt verbogen zoals het lidwoord, en voor “welk” en “wat voor” heeft het Duits twee aparte woorden.

Deze woorden heb je nodig1

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • die Farbede kleur; de verf

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

Onthoudwer, wen, wem, wessen — dezelfde vier als der, den, dem, dessen.

Signaalwoorden
  • wer
  • wen
  • wem
  • wessen
  • was
  • welch
  • was für

De vorm

De patronen in één oogopslag

Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.

wer — onderwerpWer ist das?
wen — lijdend voorwerpWen hast du gesehen?
wem — meewerkend voorwerpWem gehört das?
wessen — van wie, wiensWessen Tasche ist das?
welcher, welche, welches — welk, welkeWelches Buch meinst du?
was für ein — wat voor eenWas für ein Auto ist das?

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. wer wordt naar de naamval verbogen, precies zoals der.

    Wem hast du geholfen?Wie heb je geholpen?

  2. was wordt niet verbogen.

    Was hast du gesagt?Wat heb je gezegd?

  3. welcher vraagt naar een keuze uit een bekende groep en wordt verbogen als dieser.

    Welche Farbe gefällt dir?Welke kleur vind je mooi?

  4. was für ein vraagt naar de soort, en de naamval komt uit de zin.

    Was für einen Film habt ihr gesehen?Wat voor film hebben jullie gezien?

Voorbeeldzinnen

Wer kommt heute Abend?Wie komt er vanavond?

Wen soll ich fragen?Aan wie moet ik het vragen?

Wem gehört der Mantel?Van wie is de jas?

Meer voorbeeldzinnen (8)

Welchen Zug nimmst du?Welke trein neem je?

Was für Musik hörst du?Naar wat voor muziek luister je?

Mit wem sprichst du?Met wie praat je?

Worüber lachst du?Waar lach je om?

Welches Zimmer ist frei?Welke kamer is vrij?

Was für ein Tag!Wat een dag!

Wessen Idee war das?Van wie was dat idee?

Wen hast du eingeladen?Wie heb je uitgenodigd?

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Het Nederlands gebruikt “wie” voor elke rol in de zin: “wie komt er?”, “wie heb je gezien?”, “wie heb je geholpen?”. Niets in je eigen taal waarschuwt dus dat je een naamval moet kiezen. In Wen hast du gesehen? is de persoon lijdend voorwerp — het onderwerp is du — en daarom is het wen. Een handige controle: beantwoord de vraag zelf met er, ihn of ihm. Ich habe ihn gesehen, dus wen; ich habe ihm geholfen, dus wem.

Fout:Wer hast du gesehen?
Goed:Wen hast du gesehen?

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 63 · Bijvoeglijk naamwoord als bijwoordTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Waar het Nederlands overal “wie” zegt, verbuigt het Duits het vraagwoord voor personen: werin de Nominativ (eerste naamval)wenin de Akkusativ (vierde naamval)wemin de Dativ (derde naamval)wessenin de Genitiv (tweede naamval) Het volgt hetzelfde patroon als der, den, dem, dessen. Wessen is wat het Nederlands met “wiens” of “van wie” zegt. Het vraagwoord voor zaken, was, verandert nooit, net als “wat”.

Bij “welk” en “welke” moet je verbuigen. Welcher vraagt naar een keuze uit een bekende groep en krijgt de uitgangen van dieser: Welchen Wein möchtest du?, met de wijnkaart voor je. Het Nederlands kent maar twee vormen, “welk” en “welke”; het Duits heeft er een volledige reeks.

Was für ein is het Nederlandse “wat voor een” en vraagt naar de soort: Was für ein Wein ist das? Net als in het Nederlands is für hier geen voorzetsel. De naamval van ein komt uit de rol die de hele groep in de zin speelt: Was für einen Wagen fährst du? staat in de Akkusativ, omdat het lijdend voorwerp van fahren is. Bij een meervoud of een stofnaam valt ein weg, ook dat ken je: “wat voor boeken lees je?”.

Na een voorzetsel kan was niet staan; het Duits maakt er een woord met wo- van, en een r voor een klinker: womit, worauf, worüber. Het Nederlands doet dat met “waar-”: “waarmee”, “waarop”, “waarover”. Voor personen blijft het gewone vraagwoord: Mit wem sprichst du?, “met wie praat je?”.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: waarmee, waarop, waarover

    Bij vragen naar een zaak na een voorzetsel lopen de twee talen gelijk op: “waarmee” is womit, “waarop” is worauf, “waarover” is worüber. Het enige verschil is dat het Nederlands het woord in de spreektaal graag splitst (“waar wacht je op?”) en het Duits niet: het hele woord staat vooraan.

    Worauf wartest du?Waar wacht je op?

  2. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: “wat een” als uitroep

    Zonder vraagteken wordt was für ein een uitroep: Was für ein Glück! Het Nederlands zegt dan korter “wat een geluk!”. De woordvolgorde blijft die van een gewone mededeling, en het lidwoord wordt nog steeds verbogen, zoals in Was für einen Hunger ich habe! Zo drukt het Duits verbazing uit.

    Was für ein Tag!Wat een dag!

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · kommen · sehen · nehmen · sollen · sagen · hören · fragen

Verwante thema’s