B1 · Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stam · ca. 4 min
Werkwoorden met een vast voorzetsel
“warten auf”, “denken an”, “sich freuen über”
Het voorzetsel hoort bij het werkwoord, en de naamval die erbij hoort ook — geen van beide kun je afleiden.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (3) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig3
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- denkendenken
- die Großmutterde grootmoeder
- sich interessierenzich interesseren
Begrijpen
OnthoudLeer het werkwoord met zijn voorzetsel, anders heb je het niet geleerd.
- Signaalwoorden
- auf
- an
- über
- für
- mit
- darauf
- daran
- worauf
- woran
De vorm
Zo maak je de vormen
Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.
stam (regelmatig) persoonsuitgang
| Akkusativ | warten auf, denken an, sich freuen auf |
| Dativ | sprechen mit, gehören zu, teilnehmen an |
| voor een ding | darauf, daran, darüber, damit |
| als vraag | worauf, woran, worüber, womit |
| met een bijzin | Ich freue mich darauf, dich zu sehen. |
| ik wacht op de bus | ich warte auf den Bus |
| jij wacht op de bus | du wartest auf den Bus |
| hij / zij / het wacht op de bus | er / sie / es wartet auf den Bus |
| wij wachten op de bus | wir warten auf den Bus |
| jullie wachten op de bus | ihr wartet auf den Bus |
| zij / u wachten op de bus | sie / Sie warten auf den Bus |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Het voorzetsel hoort bij het werkwoord en leer je erbij.
Ich warte auf den Bus.Ik wacht op de bus.
Het voorzetsel, niet de betekenis, bepaalt de naamval.
Ich denke oft an meine Großmutter.Ik denk vaak aan mijn oma.
Voor een ding gebruik je da- + voorzetsel; voor een klinker komt er een -r- bij.
Ich habe nicht daran gedacht.Ik heb er niet aan gedacht.
Een bijzin die volgt, wordt eerst aangekondigd met de da--vorm.
Ich freue mich darauf, dich zu sehen.Ik verheug me erop je te zien.
Voorbeeldzinnen
Wir sprechen später über das Thema.We praten later over het onderwerp.
Sie interessiert sich für Geschichte.Ze interesseert zich voor geschiedenis.
Er hat sich über das Geschenk gefreut.Hij was blij met het cadeau.
Meer voorbeeldzinnen (10)
Woran denkst du gerade?Waar denk je net aan?
Das hängt vom Wetter ab.Dat hangt van het weer af.
Ich erinnere mich gut an den Abend.Ik herinner me die avond goed.
Es kommt auf den Preis an.Het hangt van de prijs af.
Sie hat sich bei ihm bedankt.Ze heeft hem bedankt.
Wir müssen uns um die Anmeldung kümmern.We moeten de aanmelding regelen.
Er leidet unter dem Lärm.Hij heeft last van het lawaai.
Worüber habt ihr gesprochen?Waar hebben jullie het over gehad?
Ich bitte Sie um etwas Geduld.Ik vraag u om wat geduld.
Das gehört nicht zu meinen Aufgaben.Dat hoort niet bij mijn taken.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Het Nederlands brengt je vaak op het goede spoor, en juist daarom val je op de plekken waar het afwijkt. “Wachten op” geeft warten auf — goed. Maar “bang zijn voor” is Angst haben vor, en “boos zijn op” is böse sein auf of wütend sein auf, terwijl “trots zijn op” stolz sein auf is. Vertrouw niet blind op je gevoel: leer elk werkwoord met zijn voorzetsel en de naamval als één geheel.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 69 · Betrekkelijke bijzinnenTerug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Een grote groep Duitse werkwoorden heeft een vast voorzetsel: warten auf, denken an, sich freuen über, sprechen über, sich interessieren für. Het voorzetsel bepaalt ook de naamval, en beide moet je met het werkwoord meeleren.
Het Nederlands helpt hier vaak, maar niet altijd: denken anis “denken aan”warten aufis “wachten op”sich interessieren füris “zich interesseren voor” Maar sich freuen auf is “zich verheugen op”, terwijl sich freuen über “blij zijn met” betekent. Leer daarom niet warten, maar warten auf + Akkusativ.
Gaat het om een ding en niet om een persoon, dan versmelt het voorzetsel met da-: Ich warte darauf (“ik wacht erop”). De vraag maak je met wo-: Worauf wartest du? (“waarop wacht je?”). Dat paar ken je uit het Nederlands: “erop”, “waarop”.
Nader bekeken
Waarom da- en wo- bestaan
Het Duits zet geen voorzetsel voor een voornaamwoord dat naar een ding verwijst: mit es kan niet. In plaats daarvan versmelt het voorzetsel met da-: damit, darauf, davon. Voor personen blijft het gewone voornaamwoord: mit ihm, auf ihn.
Voor Nederlandstaligen is dat vertrouwd: “ermee”, “erop”, “ervan” werken net zo. Alleen staan ze in het Duits altijd aan elkaar, terwijl het Nederlands ze kan splitsen: “ik heb er niet aan gedacht” tegenover ich habe nicht daran gedacht.
Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
Uitzondering
Als het voorwerp een persoon is
dan gebruik je het gewone voorzetsel met voornaamwoord, geen da-: auf ihn, an sie, mit ihm.
Ich warte auf ihn.Ik wacht op hem.
Waarom? Da- is voor dingen, net als “erop” in het Nederlands; voor een persoon zeg je “op hem”.
Uitzondering
Als hetzelfde werkwoord twee voorzetsels kan hebben
dan betekenen ze iets anders: sich freuen auf is uitkijken naar, sich freuen über is blij zijn met.
Ich freue mich auf den Urlaub und über deinen Brief.Ik verheug me op de vakantie en ben blij met je brief.
Waarom? Het voorzetsel draagt het verschil tussen iets wat komt en iets wat al gebeurd is.
Goed om te weten2
Goed om te weten
De da-vorm kondigt een bijzin aan
Volgt er een hele bijzin in plaats van een zelfstandig naamwoord, dan zet het Duits eerst de da--vorm in de hoofdzin en de bijzin na de komma: Ich freue mich darauf, dich zu sehen. Dat darauf is geen versiering: Ich freue mich, dich zu sehen betekent “ik ben blij je (nu) te zien”. Het Nederlands doet iets vergelijkbaars met “ik verheug me erop dat …”.
Wir warten darauf, dass die Ampel grün wird.We wachten tot het stoplicht op groen springt.
Goed om te weten
De lijst die het leren waard is, telt zo’n veertig werkwoorden
Woordenboeken noemen er honderden, maar dagelijks gebruik je er een stuk of veertig: warten auf, denken an, sich freuen auf/über, sich interessieren für, sprechen über, sich kümmern um, sich erinnern an, abhängen von, bestehen aus, teilnehmen an. Dat is twee weken flitskaarten voor een blijvende winst.
sich interessieren für, teilnehmen an, bestehen auszich interesseren voor, deelnemen aan, bestaan uit
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sich freuen · haben · warten · denken · sehen · sprechen · hängen