Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

B1  ·  Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stam  ·  ca. 4 min

Werkwoorden met een vast voorzetsel

“warten auf”, “denken an”, “sich freuen über”

Het voorzetsel hoort bij het werkwoord, en de naamval die erbij hoort ook — geen van beide kun je afleiden.

Deze woorden heb je nodig3

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • denkendenken
  • die Großmutterde grootmoeder
  • sich interessierenzich interesseren

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudLeer het werkwoord met zijn voorzetsel, anders heb je het niet geleerd.

Signaalwoorden
  • auf
  • an
  • über
  • für
  • mit
  • darauf
  • daran
  • worauf
  • woran

De vorm

Zo maak je de vormen

Elke rij geeft eerst de betekenis en dan de vorm in het Duits. De kleuren tonen wat er van vorm tot vorm verandert.

stam (regelmatig) persoonsuitgang

Akkusativwarten auf, denken an, sich freuen auf
Dativsprechen mit, gehören zu, teilnehmen an
voor een dingdarauf, daran, darüber, damit
als vraagworauf, woran, worüber, womit
met een bijzinIch freue mich darauf, dich zu sehen.
ik wacht op de busich warte auf den Bus
jij wacht op de busdu wartest auf den Bus
hij / zij / het wacht op de buser / sie / es wartet auf den Bus
wij wachten op de buswir warten auf den Bus
jullie wachten op de busihr wartet auf den Bus
zij / u wachten op de bussie / Sie warten auf den Bus

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Het voorzetsel hoort bij het werkwoord en leer je erbij.

    Ich warte auf den Bus.Ik wacht op de bus.

  2. Het voorzetsel, niet de betekenis, bepaalt de naamval.

    Ich denke oft an meine Großmutter.Ik denk vaak aan mijn oma.

  3. Voor een ding gebruik je da- + voorzetsel; voor een klinker komt er een -r- bij.

    Ich habe nicht daran gedacht.Ik heb er niet aan gedacht.

  4. Een bijzin die volgt, wordt eerst aangekondigd met de da--vorm.

    Ich freue mich darauf, dich zu sehen.Ik verheug me erop je te zien.

Voorbeeldzinnen

Wir sprechen später über das Thema.We praten later over het onderwerp.

Sie interessiert sich für Geschichte.Ze interesseert zich voor geschiedenis.

Er hat sich über das Geschenk gefreut.Hij was blij met het cadeau.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Woran denkst du gerade?Waar denk je net aan?

Das hängt vom Wetter ab.Dat hangt van het weer af.

Ich erinnere mich gut an den Abend.Ik herinner me die avond goed.

Es kommt auf den Preis an.Het hangt van de prijs af.

Sie hat sich bei ihm bedankt.Ze heeft hem bedankt.

Wir müssen uns um die Anmeldung kümmern.We moeten de aanmelding regelen.

Er leidet unter dem Lärm.Hij heeft last van het lawaai.

Worüber habt ihr gesprochen?Waar hebben jullie het over gehad?

Ich bitte Sie um etwas Geduld.Ik vraag u om wat geduld.

Das gehört nicht zu meinen Aufgaben.Dat hoort niet bij mijn taken.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Het Nederlands brengt je vaak op het goede spoor, en juist daarom val je op de plekken waar het afwijkt. “Wachten op” geeft warten auf — goed. Maar “bang zijn voor” is Angst haben vor, en “boos zijn op” is böse sein auf of wütend sein auf, terwijl “trots zijn op” stolz sein auf is. Vertrouw niet blind op je gevoel: leer elk werkwoord met zijn voorzetsel en de naamval als één geheel.

Fout:Ich warte für den Bus.
Goed:Ich warte auf den Bus.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 69 · Betrekkelijke bijzinnenTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Een grote groep Duitse werkwoorden heeft een vast voorzetsel: warten auf, denken an, sich freuen über, sprechen über, sich interessieren für. Het voorzetsel bepaalt ook de naamval, en beide moet je met het werkwoord meeleren.

Het Nederlands helpt hier vaak, maar niet altijd: denken anis “denken aan”warten aufis “wachten op”sich interessieren füris “zich interesseren voor” Maar sich freuen auf is “zich verheugen op”, terwijl sich freuen über “blij zijn met” betekent. Leer daarom niet warten, maar warten auf + Akkusativ.

Gaat het om een ding en niet om een persoon, dan versmelt het voorzetsel met da-: Ich warte darauf (“ik wacht erop”). De vraag maak je met wo-: Worauf wartest du? (“waarop wacht je?”). Dat paar ken je uit het Nederlands: “erop”, “waarop”.

Nader bekeken

Waarom da- en wo- bestaan

Het Duits zet geen voorzetsel voor een voornaamwoord dat naar een ding verwijst: mit es kan niet. In plaats daarvan versmelt het voorzetsel met da-: damit, darauf, davon. Voor personen blijft het gewone voornaamwoord: mit ihm, auf ihn.

Voor Nederlandstaligen is dat vertrouwd: “ermee”, “erop”, “ervan” werken net zo. Alleen staan ze in het Duits altijd aan elkaar, terwijl het Nederlands ze kan splitsen: “ik heb er niet aan gedacht” tegenover ich habe nicht daran gedacht.

Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
  1. Uitzondering

    Als het voorwerp een persoon is

    dan gebruik je het gewone voorzetsel met voornaamwoord, geen da-: auf ihn, an sie, mit ihm.

    Ich warte auf ihn.Ik wacht op hem.

    Waarom? Da- is voor dingen, net als “erop” in het Nederlands; voor een persoon zeg je “op hem”.

  2. Uitzondering

    Als hetzelfde werkwoord twee voorzetsels kan hebben

    dan betekenen ze iets anders: sich freuen auf is uitkijken naar, sich freuen über is blij zijn met.

    Ich freue mich auf den Urlaub und über deinen Brief.Ik verheug me op de vakantie en ben blij met je brief.

    Waarom? Het voorzetsel draagt het verschil tussen iets wat komt en iets wat al gebeurd is.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    De da-vorm kondigt een bijzin aan

    Volgt er een hele bijzin in plaats van een zelfstandig naamwoord, dan zet het Duits eerst de da--vorm in de hoofdzin en de bijzin na de komma: Ich freue mich darauf, dich zu sehen. Dat darauf is geen versiering: Ich freue mich, dich zu sehen betekent “ik ben blij je (nu) te zien”. Het Nederlands doet iets vergelijkbaars met “ik verheug me erop dat …”.

    Wir warten darauf, dass die Ampel grün wird.We wachten tot het stoplicht op groen springt.

  2. Goed om te weten

    De lijst die het leren waard is, telt zo’n veertig werkwoorden

    Woordenboeken noemen er honderden, maar dagelijks gebruik je er een stuk of veertig: warten auf, denken an, sich freuen auf/über, sich interessieren für, sprechen über, sich kümmern um, sich erinnern an, abhängen von, bestehen aus, teilnehmen an. Dat is twee weken flitskaarten voor een blijvende winst.

    sich interessieren für, teilnehmen an, bestehen auszich interesseren voor, deelnemen aan, bestaan uit

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sich freuen · haben · warten · denken · sehen · sprechen · hängen

Verwante thema’s