A1 · Lidwoorden · ca. 4 min
Het bepaalde lidwoord en zijn zestien vakjes
“der, die, das” in vier naamvallen
Zes verschillende woorden voor zestien taken — minder vormen dan de tabel doet vermoeden.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (3) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig12
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- machendoen, maken
- die Leutede mensen
- das Gleishet spoor, het perron
- dreidrie
- der Kollegede collega
- der Bescheidhet besluit, de beschikking
- der Filmde film
- überraschendverrassend
- bleibenblijven
- der Arztde arts, de dokter
- der Winterde winter
- dunkeldonker
Begrijpen
OnthoudZes woorden, zestien vakjes. Alleen het mannelijk geslacht verandert in alle vier.
- Signaalwoorden
- der
- die
- das
- den
- dem
- des
- im
- am
- zum
- zur
De vorm
De vormen naast elkaar
Alle vormen in één overzicht: eerst waar elke vorm voor staat, dan de vorm in het Duits. Zo kun je ze direct vergelijken.
| Nominativ (eerste naamval) | der / die / das — die |
| Akkusativ (vierde naamval) | den / die / das — die |
| Dativ (derde naamval) | dem / der / dem — den |
| Genitiv (tweede naamval) | des / der / des — der |
| samengetrokken vormen | im, am, zum, zur, vom, beim, ins, ans |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Het lidwoord draagt geslacht, getal en naamval; het zelfstandig naamwoord zelf verandert alleen in de Genitiv en in de Dativ meervoud (op de zwakke mannelijke woorden na).
Ich gebe dem Kind das Buch.Ik geef het kind het boek.
Vrouwelijk en onzijdig zijn in de Nominativ en de Akkusativ gelijk.
Die Tür ist offen. Ich mache die Tür zu.De deur is open. Ik doe de deur dicht.
Elk meervoud krijgt die, wat het geslacht in het enkelvoud ook was.
der Mann, die Frau, das Kind — die Leutede man, de vrouw, het kind — de mensen
Het Duits gebruikt het lidwoord soms waar het Nederlands het weglaat, vooral bij maanden, dagen en lichaamsdelen; bij abstracte begrippen doen beide talen het vaak.
Die Zeit vergeht schnell.De tijd gaat snel.
Voorbeeldzinnen
Der Zug fährt vom Gleis drei.De trein vertrekt van spoor drie.
Ich habe der Kollegin Bescheid gesagt.Ik heb de collega op de hoogte gebracht.
Das Ende des Films war überraschend.Het einde van de film was verrassend.
Meer voorbeeldzinnen (10)
Wir spielen mit den Kindern.We spelen met de kinderen.
Am Wochenende bleiben wir zu Hause.In het weekend blijven we thuis.
Der Schlüssel liegt auf dem Tisch.De sleutel ligt op de tafel.
Sie hat dem Nachbarn geholfen.Ze heeft de buurman geholpen.
Im Winter wird es früh dunkel.In de winter wordt het vroeg donker.
Das Auto der Firma steht draußen.De auto van het bedrijf staat buiten.
Ich wasche mir die Hände.Ik was mijn handen.
Die Kinder gehen zur Schule.De kinderen gaan naar school.
Wir sitzen am Fenster.We zitten bij het raam.
Das Leben ist kurz.Het leven is kort.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Hier gaan twee dingen mis, en het tweede verklaart het eerste. In “ik ga naar de dokter” blijft “de” gewoon “de”; daarom voelt zu der Arzt logisch aan. Maar zu vraagt altijd de Dativ (derde naamval), en dan wordt mannelijk der tot dem. Bovendien smelt zu dem vanzelf samen tot zum. Het Nederlands kent hetzelfde verschijnsel nog in versteende vorm: “ten” is oorspronkelijk “te den”, “ter” is “te der”. Wat bij jou alleen in vaste uitdrukkingen bewaard is, is in het Duits de gewone, ook geschreven vorm. Wie zu dem Arzt los uitspreekt, bedoelt juist die ene dokter.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 8 · Tegenwoordige tijd: uitgangen aan de stamTerug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Het Duitse bepaalde lidwoord verandert naar geslacht, getal en naamval. In een tabel geeft dat zestien vakjes, en dat lijkt op zestien dingen om te leren. In werkelijkheid staan er maar zes verschillende woorden in: der, die, das, den, dem, des. Voor jou als Nederlandstalige is het eerste werk dus niet het uit je hoofd leren van de tabel, maar het wennen aan het idee dat “de” en “het” in het Duits van vorm wisselen.
Kijk naar Ich gebe dem Kind das Buch. In het Nederlands zeg je “ik geef het kind het boek”: twee keer “het”, en alleen de woordvolgorde vertelt wie wat krijgt. In het Duits blijven Kind en Buch gelijk, maar het lidwoord laat de rol zien: demvoor de Dativ (derde naamval)dasvoor de Akkusativ (vierde naamval) Daarom mag je in het Duits de volgorde omdraaien zonder dat de zin onduidelijk wordt.
Twee feiten maken het werk kleiner. Vrouwelijk en onzijdig zien er in de Nominativ (eerste naamval) en de Akkusativ precies hetzelfde uit. En elk meervoud krijgt in die twee naamvallen die, welk geslacht het enkelvoud ook had — vergelijkbaar met het Nederlandse meervoud, dat altijd “de” krijgt, ook bij het-woorden.
Wat echt overblijft, is het mannelijk geslacht: dat verandert als enige in alle vier naamvallen (der, den, dem, des). Daarnaast zijn er twee vakjes die vaak verwarring geven: de vrouwelijke Dativ der, die er net zo uitziet als de mannelijke Nominativ, en de Dativ meervoud den, die gelijk is aan de mannelijke Akkusativ.
Goed om te weten2
Goed om te weten
Vergelijking met het Nederlands: de en het zijn geen gids voor het Duitse geslacht
Het is verleidelijk om te denken: het-woord, dus das. Soms klopt dat (het huis — das Haus, het boek — das Buch, het kind — das Kind), maar vaak ook niet. De auto is das Auto, het mes is das Messer maar de vork is die Gabel en de lepel der Löffel. Een de-woord kan in het Duits dus mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Behandel het Duitse geslacht als nieuwe informatie en leer het mee met het woord, liefst in een korte zin.
Das Auto steht vor dem Haus.De auto staat voor het huis.
Goed om te weten
Ook dieser en jeder volgen dit patroon
Dieser (deze, dit), jeder (elk), welcher (welk) en mancher (menig) krijgen precies dezelfde uitgangen als der: diesen, diesem, dieses. Wie het bepaalde lidwoord kent, kent daarmee meteen vier woorden extra.
Diesen Film habe ich schon gesehen.Deze film heb ik al gezien.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · bleiben · geben · machen · sagen · fahren · spielen