Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A1  ·  Ontkenning  ·  ca. 4 min

Ontkennen met “kein” of met “nicht”

welk woord wat ontkent

Waar je in het Nederlands “geen” zegt, zeg je in het Duits kein; waar je “niet” zegt, nicht.

Deze woorden heb je nodig4

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • das Geldhet geld
  • der Manteljas, mantel
  • der Supermarktde supermarkt
  • der Briefde brief

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudWaar je “geen” zou zeggen: kein, met de uitgang van ein. Overal elders: nicht.

Signaalwoorden
  • kein
  • keine
  • keinen
  • keinem
  • nicht
  • nie
  • nichts
  • niemand

De vorm

Van de grondvorm naar de nieuwe vorm

Elke rij zegt eerst wat de vorm uitdrukt en toont hem dan in het Duits: voor de pijl de grondvorm, erachter wat ervan wordt.

ontkenning

zelfstandig naamwoord met einein Auto -> kein Auto
zelfstandig naamwoord zonder lidwoordZeit -> keine Zeit
meervoudKinder -> keine Kinder
zelfstandig naamwoord met bepaald lidwoorddas Buch -> das Buch nicht
al het anderenicht

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaat

  1. Een zelfstandig naamwoord met ein of zonder lidwoord ontken je met kein.

    Ich habe kein Geld dabei.Ik heb geen geld bij me.

  2. Kein neemt de uitgangen van ein over en heeft daarnaast een meervoud, dat ein niet heeft.

    Wir haben keine Fragen mehr.We hebben geen vragen meer.

  3. Een zelfstandig naamwoord met der of met een bezittelijk voornaamwoord houdt zijn lidwoord en krijgt nicht.

    Das ist nicht mein Mantel.Dat is niet mijn jas.

  4. Werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden en hele zinnen krijgen nicht.

    Das finde ich nicht gut.Dat vind ik niet goed.

Voorbeeldzinnen

Ich habe keine Zeit.Ik heb geen tijd.

Hier gibt es keinen Supermarkt.Hier is geen supermarkt.

Er hat den Brief nicht bekommen.Hij heeft de brief niet gekregen.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Das ist nicht besonders teuer.Dat is niet bijzonder duur.

Sie kommt heute nicht.Ze komt vandaag niet.

Wir haben keinen Zucker mehr.We hebben geen suiker meer.

Das ist keine gute Idee.Dat is geen goed idee.

Ich kenne den Namen nicht.Ik ken de naam niet.

Sie hat keine Geschwister.Ze heeft geen broers of zussen.

Der Laden ist heute nicht geöffnet.De winkel is vandaag niet open.

Es gibt keinen Grund zur Sorge.Er is geen reden tot bezorgdheid.

Ich habe deinen Anruf nicht gehört.Ik heb je telefoontje niet gehoord.

Keiner wusste, was los war.Niemand wist wat er aan de hand was.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

De fout Ich habe nicht ein Auto komt bij Nederlandstaligen vooral uit een andere hoek dan je zou denken. Het Nederlands kent namelijk ook “niet een” of “niet één”, met klemtoon, als je iets wilt benadrukken: “ik heb niet één auto, maar twee”. Het Duits doet hetzelfde met nicht ein Auto, sondern zwei, maar alleen in zo’n tegenstelling. Als gewone ontkenning klinkt nicht ein meteen vreemd, net zoals “ik heb niet een auto” in het Nederlands vreemd klinkt waar je “geen auto” bedoelt. Zeg je in het Nederlands “geen”, dan zeg je in het Duits kein.

Fout:Ich habe nicht ein Auto.
Goed:Ich habe kein Auto.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 22 · Akkusativ — de vierde naamvalTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Kein staat voor een zelfstandig naamwoord met een onbepaald lidwoord of zonder lidwoord: ein Auto wordt kein Auto, Zeit wordt keine Zeit. Dat is precies de plek waar het Nederlands “geen” gebruikt: “een auto” wordt “geen auto”, “tijd” wordt “geen tijd”. Je gevoel voor “geen” mag je dus gewoon meenemen naar het Duits.

Het verschil zit in de vorm. “Geen” blijft altijd “geen”, maar kein krijgt dezelfde uitgangen als ein, afhankelijk van geslacht en naamval: kein Tisch, maar ich habe keinen Tisch in de Akkusativ (vierde naamval). Anders dan ein heeft kein ook een meervoud: keine Kinder, met keinen Kindern in de Dativ (derde naamval).

Nicht ontkent al het andere: een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een bijwoord, een groep met een voorzetsel of de hele zin. Ook een zelfstandig naamwoord met een bepaald lidwoord of een bezittelijk voornaamwoord krijgt nicht: Ich habe das Buch nicht gelesen, das ist nicht mein Mantel. In het Nederlands is dat net zo: “ik heb het boek niet gelezen”, “dat is niet mijn jas”.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: “geen” verandert nooit, kein wel

    Het grootste verschil met het Nederlands is niet de keuze, maar de uitgang. Waar het Nederlands overal “geen” zegt, moet je in het Duits kijken welk geslacht het woord heeft en welke rol het in de zin speelt. Een mannelijk lijdend voorwerp krijgt keinen: Ich habe keinen Hunger, “ik heb geen honger”. Na een voorzetsel met Dativ (derde naamval) wordt het keinem of keiner: mit keinem Menschen. Een handige truc: bedenk eerst welke vorm ein zou hebben en zet er dan een k voor.

    Ich habe keinen Hunger.Ik heb geen honger.

  2. Goed om te weten

    Ook bij beroepen en nationaliteiten

    In het Nederlands zeg je “ik ben geen leraar” en “hij is geen Belg”, en het Duits doet precies hetzelfde: Ich bin kein Lehrer, er ist kein Belgier. Omdat een beroep in het Duits zonder lidwoord staat (Ich bin Lehrer), valt het onder de regel voor een zelfstandig naamwoord zonder lidwoord. Hier hoef je dus niets nieuws te leren, alleen de uitgang: bij een vrouw wordt het keine Lehrerin.

    Ich bin kein Lehrer.Ik ben geen leraar.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · sein · kommen · geben · finden

Verwante thema’s