Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

B1  ·  Lidwoorden  ·  ca. 4 min

Lidwoord bij lichaamsdelen, seizoenen en landen

“die Zeit”, “im Sommer”, “die Hände”

Bij lichaamsdelen, maanden en sommige landen zet het Duits een lidwoord — bij beroepen juist niet, net als het Nederlands.

Deze woorden heb je nodig4

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • schneidensnijden
  • der Frühlingde lente
  • das Haarhet haar
  • die SchweizZwitserland

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudBeroep zonder lidwoord, lichaamsdeel met lidwoord.

Signaalwoorden
  • die Zeit
  • das Leben
  • im
  • am
  • sich die
  • ist
  • wird

De vorm

De patronen in één oogopslag

Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.

abstracte begrippenDie Zeit vergeht. Das Leben ist kurz.
seizoenen, maandenim Sommer, im Mai, am Montag
maaltijdennach dem Frühstück, vor dem Essen
lichaamsdelenIch wasche mir die Hände.
beroepen — geen lidwoordSie ist Ärztin.

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Abstracte begrippen krijgen in het Duits het bepaalde lidwoord.

    Die Zeit vergeht schnell.De tijd gaat snel.

  2. Seizoenen, maanden en dagen krijgen im of am.

    Im Winter wird es früh dunkel.In de winter wordt het vroeg donker.

  3. Lichaamsdelen krijgen het bepaalde lidwoord en een wederkerend voornaamwoord in de Dativ, geen bezittelijk voornaamwoord.

    Er hat sich in den Finger geschnitten.Hij heeft in zijn vinger gesneden.

  4. Na sein en werden staat een beroep, nationaliteit of godsdienst zonder lidwoord.

    Sie ist Ingenieurin.Ze is ingenieur.

Voorbeeldzinnen

Das Leben ist kurz.Het leven is kort.

Im Frühling blüht hier alles.In de lente bloeit hier alles.

Nach dem Essen gehen wir spazieren.Na het eten gaan we wandelen.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Sie hat sich die Haare schneiden lassen.Ze heeft haar haar laten knippen.

Mein Bruder wird Lehrer.Mijn broer wordt leraar.

Die Liebe geht durch den Magen.De liefde van de man gaat door de maag.

Am Wochenende bleiben wir zu Hause.In het weekend blijven we thuis.

Er putzt sich die Zähne.Hij poetst zijn tanden.

Wir fahren in die Türkei.We gaan naar Turkije.

Sie ist Österreicherin.Ze is Oostenrijkse.

Wir wohnen in der Schillerstraße.We wonen in de Schillerstraße.

Vor dem Frühstück trinke ich nichts.Voor het ontbijt drink ik niets.

Der Hunger war größer als die Vernunft.De honger was groter dan het verstand.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Voor Nederlandstaligen is dit een van de makkelijkste regels, want “zij is arts” zeg je zelf ook zonder lidwoord. De fout ontstaat meestal via het Engels, waar “she is a doctor” verplicht is. Houd je dus aan het Nederlands: geen lidwoord na sein, werden en bleiben bij een beroep, een nationaliteit of een godsdienst. Ook de uitzondering is dezelfde als bij jou: zodra er een bijvoeglijk naamwoord bij komt, komt het lidwoord terug — sie ist eine gute Ärztin, “zij is een goede arts”.

Fout:Sie ist eine Ärztin.
Goed:Sie ist Ärztin.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 90 · Bijvoeglijk naamwoord als zelfstandig naamwoordTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Over het gebruik van het lidwoord zijn Nederlands en Duits het vaker eens dan je denkt. Abstracte begrippen krijgen in beide talen vaak een lidwoord (de tijd — die Zeit, het leven — das Leben), seizoenen ook (in de zomer — im Sommer), en maaltijden na een voorzetsel eveneens (na het ontbijt — nach dem Frühstück). Straatnamen krijgen in beide talen een lidwoord: in der Hauptstraße, “in de Hoofdstraat”.

Er zijn drie plekken waar het Duits afwijkt. Bij maanden en dagen gebruikt het Duits een samengetrokken lidwoord: im Mai, am Montag, waar jij “in mei” en “op maandag” zegt, zonder lidwoord. Bij lichaamsdelen zegt het Duits niet “mijn handen”, maar ich wasche mir die Hände: het lidwoord plus een voornaamwoord in de Dativ (derde naamval), dat al zegt van wie de handen zijn. En een klein groepje landen heeft in het Duits een lidwoord: die Schweiz, die Türkei, die Niederlande.

In de andere richting kun je op je Nederlandse gevoel vertrouwen. Na sein en werden staat een beroep, een nationaliteit of een godsdienst zonder lidwoord: sie ist Ärztin, “zij is arts”; er wird Lehrer, “hij wordt leraar”. Wie Engels heeft geleerd, wil hier soms toch eine invoegen; doe dat niet.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: “mijn handen” wordt mir die Hände

    Het Nederlands zegt “ik was mijn handen”, “hij breekt zijn been”. Het Duits zegt liever ich wasche mir die Hände, er bricht sich das Bein. Het voornaamwoord in de Dativ (mir, sich) geeft al aan van wie het lichaamsdeel is; een bezittelijk voornaamwoord zou het dubbel zeggen. Ich wasche meine Hände is niet fout, maar klinkt zwaar en onnatuurlijk.

    Er hat sich das Bein gebrochen.Hij heeft zijn been gebroken.

  2. Goed om te weten

    Landen met een lidwoord, ook Nederland zelf

    De meeste landen hebben in het Duits geen lidwoord: Deutschland, Belgien, Italien. Een kleine groep wel, en daar hoort Nederland bij: die Niederlande is meervoud. Dat heeft gevolgen voor het voorzetsel: in die Niederlande(naar Nederland)in den Niederlanden(in Nederland)aus den Niederlanden(uit Nederland) In de omgangstaal hoor je ook Holland, zonder lidwoord, maar die naam slaat strikt genomen maar op twee provincies.

    Ich komme aus den Niederlanden.Ik kom uit Nederland.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · werden · haben · schneiden · lassen

Verwante thema’s