A1 · Voornaamwoorden · ca. 4 min
Persoonlijke voornaamwoorden in drie naamvallen
“ich, mich, mir” en de rest
Elke vorm heeft drie naamvallen, en de Dativ-vormen komen veel vaker voor dan je verwacht.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (3) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig4
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- hörenhoren, luisteren naar
- zeigenwijzen, tonen
- draußenbuiten
- wissenweten
Begrijpen
OnthoudHet voornaamwoord volgt het Duitse lidwoord, niet het Nederlandse woord.
- Signaalwoorden
- ich
- mich
- mir
- du
- dich
- dir
- ihn
- ihm
- uns
- euch
- ihnen
De vorm
De patronen in één oogopslag
Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.
| Nominativ (eerste naamval) | ich, du, er, sie, es, wir, ihr, sie/Sie |
| Akkusativ (vierde naamval) | mich, dich, ihn, sie, es, uns, euch, sie/Sie |
| Dativ (derde naamval) | mir, dir, ihm, ihr, ihm, uns, euch, ihnen/Ihnen |
| het geslacht volgt het zelfstandig naamwoord | der Tisch -> er, die Lampe -> sie |
| volgorde: eerst de Akkusativ, dan de Dativ | Ich gebe es ihm. |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Een voornaamwoord neemt het geslacht over van het zelfstandig naamwoord dat het vervangt, niet van de zaak zelf.
Wo ist der Schlüssel? — Er liegt auf dem Tisch.Waar is de sleutel? — Hij ligt op tafel.
Werkwoorden en voorzetsels met de Dativ (derde naamval) nemen mir, dir, ihm, ihr, uns, euch, ihnen.
Das gehört mir.Dat is van mij.
In het midden van de zin staan voornaamwoorden voor zelfstandige naamwoorden, in welke naamval ook.
Ich habe es meinem Bruder gegeben.Ik heb het aan mijn broer gegeven.
Bij twee voornaamwoorden komt de Akkusativ eerst: ich gebe es ihm.
Kannst du es mir zeigen?Kun je het me laten zien?
Voorbeeldzinnen
Ich habe ihn gestern gesehen.Ik heb hem gisteren gezien.
Kannst du mir das erklären?Kun je me dat uitleggen?
Wo ist die Zeitung? — Sie liegt draußen.Waar is de krant? — Die ligt buiten.
Meer voorbeeldzinnen (10)
Wir haben euch nichts gesagt.We hebben jullie niets verteld.
Das Buch? Ich habe es ihr geliehen.Het boek? Ik heb het aan haar uitgeleend.
Hast du ihm schon geschrieben?Heb je hem al geschreven?
Mir ist kalt.Ik heb het koud.
Das tut mir wirklich leid.Het spijt me echt.
Ich rufe dich morgen an.Ik bel je morgen.
Sie hat uns nicht Bescheid gesagt.Ze heeft ons niets laten weten.
Zeig es ihnen doch.Laat het ze toch zien.
Wo ist mein Mantel? — Ich habe ihn aufgehängt.Waar is mijn jas? — Ik heb hem opgehangen.
Es fällt mir schwer, das zu sagen.Ik vind het moeilijk om dat te zeggen.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Een sleutel is der Schlüssel, dus mannelijk, en dan hoort er er bij. Toch glipt er vaak es in, en daar zijn twee Nederlandse oorzaken voor. De eerste: je denkt aan “het” als het woord voor een ding, zoals in “het ligt op tafel”. De tweede: je leidt het geslacht af van het Nederlandse woord, en dat gaat hier toevallig goed, maar bij “de auto” (das Auto) of “het mes” en “de lepel” (das Messer, der Löffel) moet je echt het Duitse lidwoord kennen. Het voornaamwoord hangt aan dat lidwoord. Leer elk zelfstandig naamwoord dus met der, die of das.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 19 · Bijvoeglijk naamwoord na “sein”Terug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 2 min
De persoonlijke voornaamwoorden worden in het Duits verbogen: ich, mich, mir; du, dich, dir; er, ihn, ihm; sie, sie, ihr; es, es, ihm; wir, uns, uns; ihr, euch, euch; sie, sie, ihnen. Het Nederlands kent dat systeem nog half: “ik” tegenover “mij”, “hij” tegenover “hem”. Het grote verschil is dat het Nederlands geen aparte vorm heeft voor het meewerkend voorwerp. “Ik zie hem” en “ik geef hem het boek” gebruiken hetzelfde woord, het Duits niet: ich sehe ihn, maar ich gebe ihm das Buch. De eerste vorm is de Akkusativ (vierde naamval), de tweede de Dativ (derde naamval). De Genitiv-vormen bestaan ook, maar je hoort ze bijna nooit.
In de derde persoon kies je het voornaamwoord naar het geslacht van het zelfstandig naamwoord, niet naar de zaak. Een tafel is der Tisch, dus er; een lamp is die Lampe, dus sie; een boek is das Buch, dus es. In Nederland zeggen veel mensen “hij” over bijna elk de-woord, in Vlaanderen let men meer op mannelijk en vrouwelijk. Voor het Duits moet je het geslacht van elk woord echt kennen, want het loopt vaak niet gelijk met het Nederlandse: “de auto” is das Auto en dus es, “de zon” is die Sonne en dus sie, “de maan” is der Mond en dus er.
De Dativ-vormen verdienen extra aandacht, omdat het Duits ze voortdurend gebruikt, vaak waar het Nederlands een heel andere constructie heeft: Mir ist kaltis “ik heb het koud”Das gefällt miris “dat vind ik leuk”Wie geht es dir?is “hoe gaat het met je?” Wie alleen mich en dich leert, mist juist de vormen die je het vaakst hoort.
De beleefde vorm Sie lijkt op “u”, maar staat altijd met een hoofdletter en met de werkwoordsvorm van de derde persoon meervoud: Kommen Sie morgen? Ook de andere naamvallen krijgen een hoofdletter: Ihnen in de Dativ. In het Duits blijft men veel langer bij Sie dan men in Nederland bij “u” blijft: tegen collega’s, in winkels en bij instanties is het de normale vorm, tot iemand voorstelt om du te zeggen.
Goed om te weten2
Goed om te weten
Vergelijking met het Nederlands: “hem” is in het Duits twee woorden
Het Nederlands gebruikt “hem” en “haar” zowel voor het lijdend als voor het meewerkend voorwerp. Het Duits splitst: ihn en sie in de Akkusativ, ihm en ihr in de Dativ. In de Nederlandse schrijftaal bestaat dat onderscheid nog op één plek: “hen” als lijdend voorwerp, “hun” als meewerkend voorwerp. Wie die regel kent, heeft meteen het Duitse paar sie en ihnen: “ik zie hen” is ich sehe sie, “ik geef hun het boek” is ich gebe ihnen das Buch.
Ich sehe ihn und gebe ihm das Buch.Ik zie hem en geef hem het boek.
Goed om te weten
Vergelijking met het Nederlands: “ervan” en “daarmee”
Voor een zaak na een voorzetsel gebruikt het Duits geen persoonlijk voornaamwoord, maar een samenstelling met da-: damit, davon, darauf. Dat kent het Nederlands precies zo, als voornaamwoordelijk bijwoord: “daarmee”, “ervan”, “erop”. Mit ihmis “met hem”damitis “daarmee” Begint het voorzetsel met een klinker, dan komt er een r tussen: darauf, darüber. Het enige verschil: het Duits splitst het woord niet, waar het Nederlands “er … van” uit elkaar trekt.
Ich habe nichts davon gewusst.Ik heb er niets van geweten.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · sein · liegen · können · geben · zeigen · sehen · sagen