Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

B1  ·  Bijzinnen  ·  ca. 4 min

Betrekkelijke bijzinnen

“der”, “die”, “das” als ‘die’ en ‘dat’

Het betrekkelijk voornaamwoord lijkt op het lidwoord, neemt zijn geslacht uit de ene zin en zijn naamval uit de andere.

Deze woorden heb je nodig1

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • vollvol

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

OnthoudGeslacht van buiten, naamval van binnen. Voorzetsel vooraan.

Signaalwoorden
  • der
  • die
  • das
  • den
  • dem
  • denen
  • dessen
  • deren
  • was

De vorm

De vormen naast elkaar

Alle vormen in één overzicht: eerst waar elke vorm voor staat, dan de vorm in het Duits. Zo kun je ze direct vergelijken.

Nominativ — m, v, o, meervoudder / die / das / die
Akkusativden / die / das — die
Dativdem / der / dem — denen
Genitivdessen / deren / dessen — deren
met een voorzetselmit dem, für den, über die

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaat

  1. Geslacht en getal komen van het zelfstandig naamwoord; de naamval komt van de functie in de bijzin.

    Der Film, den wir gestern gesehen haben, war gut.De film die we gisteren gezien hebben, was goed.

  2. Het werkwoord gaat naar het eind, zoals in elke bijzin.

    Das ist der Kollege, der mir geholfen hat.Dat is de collega die me geholpen heeft.

  3. Het betrekkelijk voornaamwoord kan niet wegvallen.

    Das Buch, das ich lese, ist spannend.Het boek dat ik lees, is spannend.

  4. Een voorzetsel staat voor het voornaamwoord, nooit aan het eind.

    Die Frau, mit der ich gesprochen habe, war sehr freundlich.De vrouw met wie ik gesproken heb, was heel vriendelijk.

Voorbeeldzinnen

Der Zug, der um acht fährt, ist immer voll.De trein die om acht uur vertrekt, is altijd vol.

Die Wohnung, die wir gesehen haben, war zu teuer.Het appartement dat we gezien hebben, was te duur.

Das ist der Mann, dem ich das Auto verkauft habe.Dat is de man aan wie ik de auto verkocht heb.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Die Kollegen, mit denen ich arbeite, sind sehr nett.De collega’s met wie ik werk, zijn heel aardig.

Der Autor, dessen Buch wir lesen, kommt aus Wien.De schrijver van wie we het boek lezen, komt uit Wenen.

Der Brief, den du geschrieben hast, ist angekommen.De brief die je geschreven hebt, is aangekomen.

Die Leute, die hier wohnen, kenne ich nicht.De mensen die hier wonen, ken ik niet.

Das Haus, in dem sie aufgewachsen ist, steht noch.Het huis waarin ze opgegroeid is, staat er nog.

Der Freund, dessen Auto wir geliehen haben, ist verreist.De vriend van wie we de auto geleend hebben, is op reis.

Die Firma, für die er arbeitet, ist aus München.Het bedrijf waarvoor hij werkt, komt uit München.

Alles, was er gesagt hat, war richtig.Alles wat hij gezegd heeft, klopte.

Das Restaurant, das du empfohlen hast, war ausgebucht.Het restaurant dat je aangeraden hebt, was volgeboekt.

Die Kinder, denen wir geholfen haben, waren dankbar.De kinderen die we geholpen hebben, waren dankbaar.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

Het Nederlandse “waar … mee”, “waar … over” en “die” zonder naamval laten twee beslissingen liggen die het Duits wel neemt. Het voorzetsel komt naar voren, en het bepaalt ook de naamval: mit vraagt de Dativ, dus het is mit der en niet mit die. Bouw de bijzin daarom vanaf het voorzetsel op.

Fout:Die Frau, die ich gesprochen habe mit.
Goed:Die Frau, mit der ich gesprochen habe.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 70 · Zwakke mannelijke zelfstandige naamwoordenTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Duitse betrekkelijke voornaamwoorden zijn het bepaald lidwoord, met een paar kleine wijzigingen in de Genitiv en de Dativ meervoud. Der Mann, der dort steht, die Frau, die angerufen hat, das Kind, das draußen spielt. Waar het Nederlands “die” en “dat” heeft, heeft het Duits drie geslachten en vier naamvallen.

Het voornaamwoord neemt geslacht en getal over van het zelfstandig naamwoord waar het naar verwijst, en zijn naamval van zijn functie in de bijzin. Dat zijn twee aparte vragen: der Mann, den ich gesehen habe is mannelijk door Mann en Akkusativ omdat hij gezien wordt.

Het Nederlands laat een voorzetsel aan het eind staan: “de vrouw waar ik mee gesproken heb”. Het Duits nooit: het voorzetsel staat voor het voornaamwoord, die Frau, mit der ich gesprochen habe. Een vorm als “waarmee” bestaat bij personen niet.

Nader bekeken

Waarom het voornaamwoord niet weg kan

Het Engels kan een betrekkelijk voornaamwoord weglaten (“the book I read”); het Nederlands en het Duits niet. In het Duits is de reden extra duidelijk: de woordvolgorde is zo vrij dat de grens van de bijzin anders verloren gaat.

Zonder voornaamwoord geeft das Buch ich lese geen enkele aanwijzing waar de ene zin eindigt en de volgende begint. Voornaamwoord en komma doen samen het werk.

Uitzonderingen en bijzondere gevallen2
  1. Uitzondering

    Als het antecedent alles, etwas, nichts, das of een hele zin is

    dan is het voornaamwoord was, niet das.

    Das ist alles, was ich weiß.Dat is alles wat ik weet.

    Waarom? Deze woorden noemen geen ding bij naam, en was is het voornaamwoord daarvoor — zoals “wat” in “alles wat”.

  2. Uitzondering

    Als de bijzin naar een plaats verwijst

    dan vervangt wo vaak voorzetsel plus voornaamwoord.

    Das ist die Stadt, wo ich geboren bin.Dat is de stad waar ik geboren ben.

    Waarom? Het is korter en vermijdt de keuze van de naamval — zoals het Nederlandse “waar”.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Maar vier vormen wijken af van het lidwoord

    Het betrekkelijk voornaamwoord is het bepaald lidwoord, behalve in vier vakjes: de Genitiv dessen en deren, en de Dativ meervoud denen. De rest — der, die, das, den, dem — ken je al uit de tabel van het lidwoord.

    die Kollegen, denen ich vertrauede collega’s die ik vertrouw

  2. Goed om te weten

    Twee komma’s, altijd

    Een betrekkelijke bijzin staat direct achter zijn zelfstandig naamwoord, ook midden in de hoofdzin — die wordt dan in tweeën geknipt: Der Film, den wir gesehen haben, war gut. Het Nederlands zet daar vaak geen komma; het Duits vraagt ze allebei.

    Der Kollege, der neu angefangen hat, kommt aus Bremen.De collega die net begonnen is, komt uit Bremen.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · sehen · lesen · kommen · fahren · arbeiten · sprechen

Verwante thema’s