A2 · Ontkenning · ca. 4 min
Een ontkenning tegenspreken met “doch”
“Doch!”
Doch is het Duitse “jawel”: een ja als antwoord op een ontkennende vraag of bewering.
Ken je dit al?
“Nieuw voor mij”: eerst de uitleg, dan oefenen. “Ik test mezelf”: korte vragen (3) – heb je er minstens twee goed, dan ga je meteen door naar de moeilijkere oefeningen.
Deze woorden heb je nodig2
Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.
- schmeckensmaken
- natürlichnatuurlijk
Begrijpen
OnthoudEen ontkennende vraag krijgt doch of nein, nooit ja — zoals “jawel” of “nee”.
- Signaalwoorden
- doch
- nein
- ja
- nicht
- kein
De vorm
De patronen in één oogopslag
Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.
ontkenning vraagvorm
| positieve vraag, positief antwoord | Kommst du mit? — Ja. |
| positieve vraag, negatief antwoord | Kommst du mit? — Nein. |
| ontkennende vraag, tegengesproken | Kommst du nicht mit? — Doch. |
| ontkennende vraag, bevestigd | Kommst du nicht mit? — Nein. |
De regels één voor één
De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt
Doch geeft een bevestigend antwoord op een ontkennende vraag.
Hast du keinen Hunger? — Doch!Heb je geen honger? — Jawel!
Nein na een ontkennende vraag stemt in met de ontkenning.
Hast du keinen Hunger? — Nein.Heb je geen honger? — Nee.
Ja past niet na een ontkenning en klinkt als een fout.
Nicht dabei? — Doch, hier.Niet bij je? — Jawel, hier.
Doch spreekt ook een bewering tegen, niet alleen een vraag.
Das stimmt nicht. — Doch, das stimmt.Dat klopt niet. — Jawel, dat klopt wel.
Voorbeeldzinnen
Du warst nicht da. — Doch, ich war da.Je was er niet. — Jawel, ik was er wel.
Schmeckt es dir nicht? — Doch, sehr gut.Smaakt het je niet? — Jawel, heel goed.
Hast du das nicht gewusst? — Nein.Wist je dat niet? — Nee.
Meer voorbeeldzinnen (8)
Ist noch nichts da? — Doch, alles.Is er nog niets? — Jawel, alles.
Kannst du nicht schwimmen? — Doch, natürlich.Kun je niet zwemmen? — Natuurlijk wel.
Bist du nicht müde? — Doch, sehr.Ben je niet moe? — Jawel, heel erg.
Das hat er nie gesagt. — Doch, gestern.Dat heeft hij nooit gezegd. — Jawel, gisteren nog.
Gibt es keinen Kaffee mehr? — Doch, hier.Is er geen koffie meer? — Jawel, hier.
Willst du wirklich nicht? — Nein, wirklich nicht.Wil je echt niet? — Nee, echt niet.
Du magst das nicht? — Doch, ich mag es.Vind je dat niet lekker? — Jawel, ik vind het lekker.
War das nicht teuer? — Doch, ziemlich.Was dat niet duur? — Jawel, behoorlijk.
De valkuil voor Nederlandstaligen
Let op
Op Hast du keine Zeit? antwoorden met Ja laat de Duitse luisteraar in het ongewisse: bedoel je “ja, ik heb geen tijd” of “ja, ik heb wel tijd”? In het Nederlands is een kaal “ja” op zo’n vraag ook dubbelzinnig, en daarom zeg je daar “jawel” of “nee”. Doe in het Duits hetzelfde: heb je wel tijd, dan is het Doch; heb je echt geen tijd, dan is het Nein, dat instemt met de ontkenning in de vraag. Het gevaar zit erin dat je in de haast het eerste Duitse woord voor “ja” pakt.
Snelle check
Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.
Oefenen
Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.
Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 3, getypt en meteen gecontroleerd.
Gelukt
Hoe goed zit dit thema?
Na het oefenen wordt dit automatisch ingevuld. Je kunt het hier altijd zelf aanpassen.
Verder op het leerpad: 54 · Formeel en informeel: “du”, “Sie”Terug naar het leerpad
Uitgebreid uitgelegd
Lees de hele uitleg · ca. 1 min
Op een gewone vraag antwoord je met ja of nein, net als in het Nederlands. Bevat de vraag al een ontkenning, zoals Hast du keinen Hunger?, dan kan ja niet meer. Wie toch honger heeft, zegt Doch! Dat is precies het Nederlandse “jawel” of “toch wel”: “Heb je geen honger? — Jawel!”
Wie de ontkenning juist bevestigt, zegt nein: Hast du keinen Hunger? — Nein. Dat betekent “nee, ik heb geen honger”, net als in het Nederlands. Een ontkennende vraag heeft dus twee mogelijke antwoorden, doch en nein, en ja hoort daar niet bij.
Doch werkt ook na een bewering en niet alleen na een vraag: Das stimmt nicht. — Doch, das stimmt. In het Nederlands zou je hier zeggen: “Dat klopt niet. — Jawel, het klopt wel.” Omdat het Nederlands met “jawel” al een eigen woord voor deze situatie heeft, valt doch je waarschijnlijk makkelijk; je moet het alleen ook echt gebruiken.
Goed om te weten2
Goed om te weten
Vergelijking met het Nederlands: “jawel” en “toch wel”
Het Nederlands heeft voor deze situatie zelfs twee uitdrukkingen, “jawel” en “toch wel”, en het tweede lijkt sterk op doch. Dat is geen toeval: “toch” en doch zijn verwant. In het Duits volstaat het ene woord. Je kunt het versterken met doch, doch of aber doch, net zoals je in het Nederlands “jawel hoor” zegt.
Das stimmt nicht. — Doch, das stimmt.Dat klopt niet. — Jawel, dat klopt wel.
Goed om te weten
Ruziemakende kinderen
Duitse kinderen kunnen eindeloos Doch! — Nein! — Doch! roepen, zoals Nederlandse kinderen “Wel!” — “Niet!” — “Wel!” roepen. Het laat mooi zien hoe kort en stevig het woord is: het is de gewone, alledaagse manier om een ontkenning tegen te spreken, in elk register.
Du magst das nicht? — Doch, ich mag es.Vind je dat niet lekker? — Jawel, ik vind het lekker.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · können · wissen · schmecken