De Duitse tijden
Wanneer iets gebeurt en hoe je ernaar kijkt — afgerond, nog bezig, al eerder klaar: dat is de vraag die elke werkwoordstijd beantwoordt. Hier staan alle thema’s daarover, elk met een eigen pagina en eigen oefeningen.
Alle thema’s over tijd en werkwoordstijd (8)
A1Het Perfekt: de verleden tijd van het gesprekEen vorm van haben of sein plus een voltooid deelwoord achteraan — zo vertellen Duitsers over gisteren.B1Het Präteritum: de verleden tijd van boeken en berichtenDe verleden tijd van verhalen en kranten — plus een klein groepje werkwoorden dat hem ook in de spreektaal houdt.A2De toekomende tijd (Futur I) en wanneer je hem niet nodig hebtHet Duits zegt de toekomst meestal in de tegenwoordige tijd en bewaart werden voor voorspellingen en beloftes.B1Het Plusquamperfekt: wat daarvoor al gebeurd wasHatte of war met een voltooid deelwoord — voor wat al voorbij was toen iets anders gebeurde.A2Wat de tegenwoordige tijd allemaal doetNu, altijd, morgen en sinds wanneer — alles in één vorm.A2Het juiste hulpwerkwoord in het Perfekt kiezenDe meeste werkwoorden nemen haben; beweging en verandering van toestand nemen sein, en een lijdend voorwerp betekent altijd haben.A2Tijd aangeven: sinds, geleden, over en voorVier voorzetsels van tijd die in het Nederlands anders heten — en de tijd die het Duits bij elk ervan gebruikt.A2Het voltooid deelwoord vormenDrie patronen, twee gevallen zonder ge- en één geval waarin ge- naar binnen schuift.
Oefen de tijden
Opdrachten uit alle thema’s over tijd en werkwoordstijd, door elkaar. Precies dat is het moeilijke: een vorm maken als ernaast staat welke bedoeld is, kan bijna iedereen.