Duits leren – veelgestelde vragen
Vragen die mensen echt stellen bij het leren van Duits – 27 in totaal, met antwoorden die op zichzelf staan. Waar er meer over te zeggen valt, staat de verwijzing eronder – niet in plaats van het antwoord.
Om te beginnen
Waar je begint, hoe lang het duurt, welk Duits je leert en wat de niveaus betekenen.
Hoe begin ik met Duits?
Met drie dingen tegelijk en niet na elkaar: de tegenwoordige tijd van de werkwoorden die je elke dag gebruikt, een eerste woordenschat van zelfstandige naamwoorden die je altijd met hun lidwoord leert, en de naamvallen vanaf de eerste week. Dat laatste is het enige echt nieuwe: de woordvolgorde ken je al uit het Nederlands, de werkwoordsvormen lijken erop, maar dat der Mann in een andere rol den Mann of dem Mann wordt, heeft het Nederlands niet meer. Zeg vanaf de eerste dag hele zinnen hardop — Ich heiße Sanne. Ich komme aus Utrecht. Ich wohne jetzt in Köln.
Wat betekenen A1, A2 en B1 op deze site?
Het zijn de eerste drie treden van een wijdverbreide Europese schaal, van de eerste zinnen (A1) tot zelfstandig je weg vinden in het dagelijks leven (B1). De labels mag iedereen gebruiken; de officiële beschrijving van elke trede niet, en deze site neemt die niet over. Wat je hier vindt, is een eigen ordening met een uitgesproken criterium: niet hoe moeilijk een woord is, maar vanaf wanneer je niet meer zonder kunt. der Kühlschrank is lang en staat op A1, omdat er in elke keuken een staat.
Hoe lang duurt het om Duits te leren?
Een eerlijk aantal uren bestaat niet, en een site die het als feit noemt, heeft het verzonnen: het hangt af van wat je al weet, hoeveel je oefent en waarvoor je de taal nodig hebt. Twee dingen kun je wel zeggen. Geen andere taal ligt zo dicht bij het Nederlands: je leest een Duitse krant met een beetje moeite al op de eerste dag. En juist daardoor zit het werk ergens anders dan je denkt — niet in het begrijpen, maar in het correct zeggen: lidwoorden, naamvallen en de woorden die op het Nederlands lijken en iets anders betekenen.
Leer ik Duits niet vanzelf, omdat het zo op het Nederlands lijkt?
Begrijpen wel, spreken niet. Je begrijpt veel omdat de woorden lijken — Haus, Wasser, trinken — en de zinsbouw bijna dezelfde is. Maar wat je begrijpt zonder het te leren, zeg je ook zonder het te leren, en dan zeg je het op zijn Nederlands: die Haus in plaats van das Haus, mit die Kinder in plaats van mit den Kindern. De gelijkenis is een voorsprong bij het lezen en een valkuil bij het schrijven. Leer daarom vanaf het begin de lidwoorden en naamvallen bewust, ook als je de zin al begrijpt.
Welk Duits leer ik hier: uit Duitsland, Oostenrijk of Zwitserland?
Het geschreven standaardduits dat in alle drie de landen wordt gelezen en begrepen. Waar Oostenrijk of Zwitserland een eigen woord of een eigen spelling hebben — Jänner voor januari, Strasse zonder ß — staat dat erbij. Gesproken dialecten behandelt deze site niet; wie in Zwitserland of Beieren woont, hoort er snel meer van dan in een boek. Het lijkt een beetje op Nederlands en Vlaams: één schrijftaal, veel manieren om haar uit te spreken.
Ik spreek Vlaams. Is er voor mij iets anders?
Weinig, en waar het verschilt, helpt het je vaak. Vlamingen zeggen eerder en langer “u” dan Nederlanders, en dat ligt dichter bij het Duitse Sie. Ook de Vlaamse zachte uitspraak verschilt van de Duitse, net als de Nederlandse: de Duitse g is altijd hard. Waar Nederlandse en Belgische woorden of gewoontes op deze site verschillen, staat het erbij.
Grammatica
De punten waarop het Duits een Nederlandstalige het vaakst verrast.
Waarom heeft het Duits naamvallen en het Nederlands niet?
Het Nederlands had ze ook. “Des avonds”, “ter plaatse” en “met dien verstande” zijn de laatste resten van een systeem dat het Duits heeft gehouden. In het Duits draagt vooral het lidwoord de naamval: der Mann is het onderwerp, den Mann het lijdend voorwerp, dem Mann het meewerkend voorwerp. Daardoor kan het Duits de woordvolgorde vrijer gebruiken dan het Nederlands: Den Mann kenne ich nicht is helder, omdat den al zegt wie wie is.
Waarom drie lidwoorden, waar het Nederlands er twee heeft?
Het Nederlands heeft het mannelijk en het vrouwelijk samengevoegd tot “de”; het Duits houdt ze uit elkaar: der Tisch, die Tür, das Haus. Goed nieuws: een Nederlands “het”-woord is in het Duits vaak das — das Haus, das Kind, das Wasser — en verkleinwoorden zijn in beide talen altijd onzijdig. Bij de-woorden moet je kiezen tussen der en die, en daar helpen de uitgangen: -ung, -heit en -keit zijn altijd vrouwelijk.
Klopt het dat een het-woord in het Duits altijd “das” is?
Vaak, maar niet altijd. Das Haus, das Kind, das Buch, das Jahr en das Wasser kloppen, en verkleinwoorden zijn in beide talen zonder uitzondering onzijdig. Maar “het strand” is der Strand, “het eiland” die Insel, “het idee” die Idee en “het bezoek” der Besuch. En andersom: “de auto” is das Auto, “de fiets” das Fahrrad. Gebruik het als eerste gok en leer het lidwoord toch altijd mee.
Staat het werkwoord in het Duits net als in het Nederlands?
In de hoofdzin bijna altijd: het vervoegde werkwoord staat tweede, en staat er iets anders vooraan, dan schuift het onderwerp erachter — Morgen fahre ich nach Berlin, “morgen ga ik naar Berlijn”. In de bijzin ook: het werkwoord gaat naar het eind. Het verschil zit in de volgorde van twee werkwoorden aan het eind: het Nederlands zegt “omdat ik niet kan komen”, het Duits weil ich nicht kommen kann. Het vervoegde werkwoord staat in het Duits altijd helemaal achteraan.
Mag in het Duits iets na het deelwoord staan, zoals in het Nederlands?
Bijna nooit. Het Nederlands zegt zonder problemen “ik heb gewacht op de bus” of “hij is gekomen met de trein”. Het Duits sluit de zin met het deelwoord af en zet alles daarvoor: Ich habe auf den Bus gewartet, Er ist mit dem Zug gekommen. Dat heet de zinsklem. Een vergelijking met als en een nagedachte na een komma mogen erachter; de rest niet.
Waarom is “als” in het Duits zo verraderlijk?
Omdat het Duitse als iets anders betekent. Het Nederlandse “als” van een voorwaarde of een herhaling is wenn: Wenn du Zeit hast, “als je tijd hebt”. Het Duitse als is het Nederlandse “toen”: Als ich klein war, “toen ik klein was”. En in een vergelijking is het Duitse als het Nederlandse “dan”: größer als ich. Wie “als” letterlijk vertaalt, zegt dus bijna altijd iets anders dan hij bedoelt.
Wanneer gebruik ik haben en wanneer sein in de voltooide tijd?
Grotendeels zoals “hebben” en “zijn” in het Nederlands: beweging naar een doel en verandering nemen sein (ich bin gekommen), de meeste andere werkwoorden haben. Er zijn een paar verschillen die je moet leren. “Ik ben vergeten” is ich habe vergessen, “ik ben begonnen” is ich habe angefangen. En waar het Nederlands “ik heb gewandeld” zegt, zegt het Duits ich bin gewandert.
Waarom zegt een Duitser zo vaak “Sie”, waar ik “je” zou zeggen?
Omdat de grens tussen du en Sie in het Duits duidelijk aan de formele kant ligt, verder dan in Nederland. In winkels, bij instanties, bij de dokter en tegen onbekende volwassenen is Sie gewoon, en overstappen naar du wordt aangeboden, niet genomen. Let ook op de vorm: het werkwoord bij Sie staat in het meervoud, Sie kommen, waar het Nederlands “u komt” zegt.
Waarom krijgt elk zelfstandig naamwoord een hoofdletter?
Omdat de Duitse spelling dat al eeuwen zo doet; het Nederlands heeft het ooit ook gekend en losgelaten. Het voordeel voor jou als lezer: je ziet in één oogopslag welke woorden zelfstandige naamwoorden zijn. Het lastige bij het schrijven: ook een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord dat een zelfstandig naamwoord wordt, krijgt er een — das Essen, beim Lesen, etwas Neues. De vuistregel: kan er een lidwoord voor, dan een hoofdletter.
Wat is de Konjunktiv II, en heb ik hem nodig?
Het is de vorm van de wens en de beleefdheid, en je hebt hem nodig zodra je iets vriendelijk vraagt: Ich hätte gern, “ik had graag”, en Könnten Sie, “zou u kunnen”. Het Nederlands gebruikt daar “zou” en “had”, het Duits een eigen vorm van het werkwoord of würde. Voor de meeste werkwoorden volstaat würde met de infinitief: Ich würde gern kommen.
Wat doet het woordje es allemaal?
Meer dan het Nederlandse “het”. Het is het onderwerp van het weer (es regnet), het onderwerp van vaste uitdrukkingen (es gibt, “er is”) en een plaatshouder als er niets vooraan wil staan (Es kamen viele Gäste, “er kwamen veel gasten”). Het Nederlands gebruikt in die laatste twee gevallen vaak “er”, en het verschil is dat het Duitse es verdwijnt zodra iets anders vooraan staat: Gestern kamen viele Gäste.
Woorden en klanken
Welke woorden eerst, welke misleiden, hoe je ze onthoudt en hoe je ze uitspreekt.
Welke woorden moet ik als eerste leren?
De woorden waarvan je zonder lidwoord de helft niet weet: alledaagse zelfstandige naamwoorden, altijd met der, die of das erbij. Daarna de werkwoorden die onregelmatig zijn, want die zijn juist de meest gebruikte. Woorden die er Nederlands uitzien en hetzelfde betekenen, kosten je weinig tijd; besteed die aan de woorden die anders zijn.
Welke Duitse woorden zien er Nederlands uit, maar zijn het niet?
Meer dan je zou denken, en juist in het alledaagse. Der Mond is de maan, bellen is blaffen, die Tasse is een kopje, das Meer de zee en der See het meer, schlimm is erg en doof is dom. Omdat zoveel woorden wel kloppen, valt een woord dat niet klopt niet op — tot iemand verbaasd kijkt. Zet ze op een aparte lijst en herhaal ze samen.
Hoe onthoud ik het lidwoord bij elk woord?
Door het nooit los te leren. Niet “Tisch = tafel”, maar “der Tisch = de tafel”, hardop, in een zin: Der Tisch ist neu. Gebruik daarnaast de uitgangen: -ung, -heit, -keit en -schaft zijn vrouwelijk, -chen en -lein onzijdig. En gebruik het Nederlands als eerste gok voor het-woorden, niet als regel.
Hoe spreek ik Duits uit als Nederlander?
Het meeste lukt meteen, maar een paar klanken verraden je. Duits u is “oe” en ü is “uu”: Buch klinkt als “boech”. Duits eu klinkt als “oi”: Leute. Duits sch is één klank, “sj”, dus Schule begint niet als “school”. En de Duitse g is een harde g, zoals in het Engelse “go”, nooit de Nederlandse g. sp en st aan het begin van een woord klinken als “sjp” en “sjt”.
Waarom zijn Duitse woorden zo lang?
Omdat het Duits, net als het Nederlands, woorden aan elkaar plakt — het schrijft ze alleen vaker aan elkaar waar het Nederlands een spatie of een streepje zet. Kühlschrank is gewoon “koelkast”, Handschuh “handschoen”. Een lang woord knip je van achteren: het laatste stuk zegt wat het is en geeft ook het lidwoord. Die Haustür is een deur, en daarom die.
Hoe leer ik de onregelmatige werkwoorden?
Met het Nederlands als hulp: veel Duitse sterke werkwoorden wisselen hun klinker zoals de Nederlandse. singen, sang, gesungen en “zingen, zong, gezongen”; trinken, trank, getrunken en “drinken, dronk, gedronken”. Leer ze in groepjes met hetzelfde patroon en zeg ze hardop. Let op de werkwoorden die in het Duits ook bij du en er van klinker wisselen: du fährst, er liest.
Moet ik uitdrukkingen leren, of komen die vanzelf?
Leer ze, want juist hier helpt het Nederlands soms en misleidt het soms. Schwein haben is geluk hebben, terwijl “zwijn hebben” niets zegt; Tomaten auf den Augen haben is niet zien wat voor je neus ligt. Leer een uitdrukking in zijn geheel, met het beeld erbij, en niet woord voor woord.
Deze site
Waar het materiaal vandaan komt, voor wie het is en wat het niet is.
Waar komt het materiaal op deze site vandaan?
Alles is eigen werk: de uitleg, de voorbeeldzinnen, de oefeningen en de keuze van de woorden. Er is niets overgenomen uit leerboeken, woordenboeken of examens, en deze site gebruikt geen namen van examens of instellingen. De vergelijkingen met het Nederlands zijn speciaal voor deze versie geschreven, niet vertaald uit een andere.
Voor wie is deze versie bedoeld?
Voor wie Nederlands spreekt — uit Nederland of Vlaanderen — en Duits wil leren tot het niveau waarop je zelfstandig je weg vindt in het dagelijks leven, op het werk en bij instanties. Alle uitleg gaat uit van wat je al kent: waar het Duits gelijk is aan het Nederlands, staat dat er kort bij; waar het verschilt, staat de uitleg.
Kan ik me hier voorbereiden op een examen?
Deze site volgt geen examen en neemt geen examenopdrachten over. Wat je hier leert — woordenschat, grammatica en oefeningen tot en met B1 — is wat zo’n examen vraagt, maar het oefent geen bepaald formaat. Wie een examen moet doen, doet er goed aan daarnaast de officiële voorbeeldopgaven van de aanbieder te bekijken.