Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A1  ·  De vier naamvallen  ·  ca. 5 min

De vier naamvallen in één overzicht

de vier naamvallen in één oogopslag

Vier rollen voor een zelfstandig naamwoord, vier reeksen vormen — en één tabel die je het best als eerste leert.

Deze woorden heb je nodig15

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • der Lehrerde leraar
  • die Aufgabede taak; de opgave
  • sehenzien
  • gebengeven
  • der Mannde man, de echtgenoot
  • der Apfelde appel
  • das Autode auto
  • der Nachbarde buurman
  • die Türde deur
  • werwie
  • suchenzoeken
  • wenwie (lijdend voorwerp)
  • esseneten
  • der Jungede jongen
  • fragenvragen

Oefen als flitskaarten · 1Oefen als flitskaarten · 2

Begrijpen

OnthoudLees het lidwoord, niet de plaats in de zin.

Signaalwoorden
  • der
  • den
  • dem
  • des
  • die
  • das
  • wer
  • wen
  • wem

De vorm

De vormen naast elkaar

Alle vormen in één overzicht: eerst waar elke vorm voor staat, dan de vorm in het Duits. Zo kun je ze direct vergelijken.

Nominativ (eerste naamval) — mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, meervoudder / die / das / die
Akkusativ (vierde naamval) — mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, meervoudden / die / das / die
Dativ (derde naamval) — mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, meervoud; het zelfstandig naamwoord krijgt in het meervoud -ndem / der / dem / den
Genitiv (tweede naamval) — mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, meervouddes / der / des / der
de enige volledige verandering: mannelijk enkelvoudder -> den -> dem -> des

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. De Nominativ (eerste naamval) antwoordt op de vraag “wie of wat doet het?”.

    Der Lehrer erklärt die Aufgabe.De leraar legt de opdracht uit.

  2. De Akkusativ (vierde naamval) antwoordt op de vraag “wie of wat ondergaat de handeling?”.

    Ich sehe den Lehrer.Ik zie de leraar.

  3. De Dativ (derde naamval) antwoordt op de vraag “aan wie of voor wie?”.

    Ich gebe dem Lehrer das Heft.Ik geef de leraar het schrift.

  4. Alleen het mannelijk enkelvoud heeft in alle vier naamvallen een andere vorm. Vrouwelijk en onzijdig veranderen veel minder — daar kun je op leunen.

    das Buch, das Buch, dem Buch, des Bucheshet boek, het boek, aan het boek, van het boek

Voorbeeldzinnen

Der Hund sieht den Mann.De hond ziet de man.

Den Hund sieht der Mann.De man ziet de hond.

Die Frau gibt dem Kind einen Apfel.De vrouw geeft het kind een appel.

Meer voorbeeldzinnen (10)

Das Auto des Nachbarn steht vor der Tür.De auto van de buurman staat voor de deur.

Wer sucht wen?Wie zoekt wie?

Der Junge liest ein Buch.De jongen leest een boek.

Ein Buch liest der Junge.Een boek leest de jongen.

Ich danke dem Arzt.Ik bedank de dokter.

Er hilft der Nachbarin.Hij helpt de buurvrouw.

Das ist das Fahrrad meiner Schwester.Dat is de fiets van mijn zus.

Wem gehört die Tasche?Van wie is de tas?

Wen hast du gefragt?Wie heb je gevraagd?

Der Hund des Nachbarn bellt die ganze Nacht.De hond van de buren blaft de hele nacht.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

In het Nederlands is de eerste woordgroep vóór de persoonsvorm meestal het onderwerp, en dat patroon zit diep. Bij Den Hund sieht der Mann lees je dan “de hond ziet de man”, terwijl de zin het omgekeerde zegt. Het Duits heeft de hond vooraan gezet voor de nadruk, niet omdat hij het onderwerp is; het onderwerp herken je aan der, het lijdend voorwerp aan den. Wen jezelf aan eerst het lidwoord te lezen en pas daarna de plaats in de zin.

Fout:Den Hund sieht der Mann. — Der Hund sieht.
Goed:Den Hund sieht der Mann. — Der Mann sieht.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 4. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 7 · Het bepaalde lidwoord en zijn zestien vakjesTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Een naamval is een teken dat laat zien welke rol een woordgroep in de zin speelt. Het Duits heeft er vier. De Nominativ (eerste naamval) is het onderwerp: wie iets doet. De Akkusativ (vierde naamval) is het lijdend voorwerp: wat gezien, gekocht of gelezen wordt. De Dativ (derde naamval) is het meewerkend voorwerp: aan wie iets gegeven, verteld of getoond wordt. De Genitiv (tweede naamval) drukt bezit uit; die kom je in de spreektaal het minst tegen.

In het Nederlands zie je de rol aan de plaats in de zin of aan een voorzetsel: “ik geef het boek aan de man”. In het Duits zit het teken op het lidwoord, soms ook op een bijvoeglijk naamwoord ervoor. Der Mann is de man die iets doet; den Mann is de man die gezien of gevraagd wordt. Het woord Mann zelf verandert niet — drie letters op het woordje ervoor doen al het werk.

Daardoor kan het Duits de woordvolgorde vrijer gebruiken dan het Nederlands. Den Hund sieht der Mann is een gewone zin en betekent dat de man de hond ziet; de hond staat vooraan omdat hij nadruk krijgt. Een Nederlandstalige leest de eerste groep automatisch als onderwerp, want in het Nederlands is dat bijna altijd zo, en begrijpt de zin dan precies verkeerd om. In het Duits beslist de uitgang wie wat doet, niet de plaats.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: de naamvallen die je al kent

    Bij de voornaamwoorden maakt het Nederlands nog onderscheid: “hij ziet mij” tegenover “ik zie hem”. Dat is precies wat een naamval doet. Het Duits gaat alleen een stap verder: waar het Nederlands één vorm “hem” heeft, kent het Duits ihn (Akkusativ) en ihm (Dativ), en waar jij “mij” zegt, kiest het Duits tussen mich en mir. Ook de vraagwoorden volgen dat patroon: wer“wie”wen“wie” als lijdend voorwerpwem“aan wie”wessen“wiens”

    Er sieht mich. Er gibt mir das Buch.Hij ziet mij. Hij geeft mij het boek.

  2. Goed om te weten

    Het Nederlandse “de” en “het” passen niet op der, die en das

    Het is verleidelijk om “de” gelijk te stellen aan der of die en “het” aan das, maar dat gaat vaak mis. “Het meisje” is das Mädchen, dat klopt nog; maar “de zon” is die Sonne, “de maan” is der Mond en “de auto” is das Auto. Leer daarom elk zelfstandig naamwoord met zijn Duitse lidwoord, anders kun je de naamvallen ook niet goed vormen.

    der Mond, die Sonne, das Autode maan, de zon, de auto

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sehen · geben · stehen · erklären · suchen

Verwante thema’s