Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL
Alle thema’s (108)

A1  ·  Lidwoorden  ·  ca. 4 min

Voorzetsel en lidwoord samengetrokken

“im, am, zum, zur, ins, beim”

Een tiental samengetrokken vormen die geen afkorting zijn, maar de gewone manier om het te zeggen.

Deze woorden heb je nodig8

Ze komen voor in de voorbeelden en oefeningen van dit thema en zijn op dit punt van het leerpad nieuw.

  • das Bürohet kantoor
  • legenleggen
  • das Regalhet schap, de plank
  • der Marktde markt
  • der Zahnarztde tandarts
  • das Kinode bioscoop
  • das Theaterhet theater, de schouwburg
  • das Krankenhaushet ziekenhuis

Oefen als flitskaarten

Begrijpen

Onthoudim is waar je bent, ins is waar je heen gaat.

Signaalwoorden
  • im
  • am
  • ins
  • ans
  • zum
  • zur
  • vom
  • beim
  • aufs
  • durchs

De vorm

De patronen in één oogopslag

Elke rij zegt eerst wanneer of waarvoor je het patroon gebruikt en geeft dan een voorbeeld in het Duits.

in dem → imim Haus
in das → insins Haus
an dem → amam Fenster
an das → ansans Fenster
zu dem → zum, zu der → zurzum Arzt, zur Schule
bei dem → beim, von dem → vombeim Bäcker, vom Bahnhof

De regels één voor één

De vorm waar dit thema over gaatHet woord dat erom vraagt

  1. Samentrekken gebeurt alleen met het bepaalde lidwoord.

    im Garten, aber: in einem Gartenin de tuin, maar: in een tuin

  2. De samengetrokken vorm behoudt de naamval en dus de betekenis.

    Ich bin im Büro. Ich gehe ins Büro.Ik ben op kantoor. Ik ga naar kantoor.

  3. im, am, zum, zur, vom, beim en ins, ans, aufs, durchs vormen de dagelijkse reeks.

    Wir fahren zum See.We rijden naar het meer.

  4. Wie het lidwoord los laat staan, legt er nadruk op.

    Nicht in dem Haus, in diesem hier.Niet in dát huis, in dit hier.

Voorbeeldzinnen

Wir treffen uns am Bahnhof.We spreken af bij het station.

Sie geht zur Arbeit.Ze gaat naar haar werk.

Ich lege das Buch aufs Regal.Ik leg het boek op de plank.

Meer voorbeeldzinnen (8)

Ich komme vom Markt.Ik kom van de markt.

Er war beim Zahnarzt.Hij was bij de tandarts.

Wir sitzen im Garten.We zitten in de tuin.

Geh ans Telefon.Neem de telefoon op.

Sie fährt zur Schule.Ze gaat naar school.

Das hängt vom Wetter ab.Dat hangt van het weer af.

Beim Essen wird nicht gesprochen.Tijdens het eten wordt er niet gepraat.

Er geht durchs Zimmer.Hij loopt door de kamer.

De valkuil voor Nederlandstaligen

Let op

In het Nederlands kies je tussen “in” en “naar”: “ik ben in de bioscoop”, “ik ga naar de bioscoop”. Wie dat naar het Duits overzet en “in” vertaalt met im, zegt met Ich gehe im Kino eigenlijk dat hij in de bioscoop rondloopt. Het Duits gebruikt voor beide situaties in; het verschil zit in de naamval. Waar jij “naar” zegt, wordt het dus ins (vierde naamval), waar jij “in” zegt, im (derde naamval). Omdat de samengetrokken vorm de naamval verbergt, gaat het juist hier zo vaak mis.

Fout:Ich gehe im Kino.
Goed:Ich gehe ins Kino.

Snelle check

Om op te warmen, met meteen het antwoord (vragen: 2). Ze tellen niet mee voor je voortgang.

Oefenen

Oefeningen bij dit thema: 3. Je antwoorden worden in de browser gecontroleerd; niets daarvan verlaat je apparaat.

Schrijf nu zelfZinnen bij dit thema: 4, getypt en meteen gecontroleerd.

Gelukt

Hoe goed zit dit thema?

Verder op het leerpad: 24 · “mögen” en “möchten”: houden van en graag willenTerug naar het leerpad

Uitgebreid uitgelegd

Lees de hele uitleg · ca. 1 min

Het Duits laat een voorzetsel samensmelten met het bepaalde lidwoord dat erop volgt: in dem wordt im, zu der wordt zur, an das wordt ans. Er zijn er een stuk of tien in dagelijks gebruik, en ze zijn niet slordig of informeel. Juist de losse vorm klinkt ongewoon. Het Nederlands kende dit ook: “ten” (te den), “ter” (te der) en “ten huize” zijn er de versteende resten van.

De samengetrokken vorm neemt de naamval mee en zegt dus iets. Im Kino is Dativ (derde naamval) en betekent “in de bioscoop”, je bent er al. Ins Kino is Akkusativ (vierde naamval) en betekent “naar de bioscoop”. Het Nederlands gebruikt daarvoor twee verschillende voorzetsels, “in” en “naar”; het Duits houdt hetzelfde voorzetsel en verandert alleen één letter.

Alleen het bepaalde lidwoord smelt samen. In einem Haus blijft zoals het is, want ein wordt nooit aan een voorzetsel vastgeplakt.

Goed om te weten2
  1. Goed om te weten

    Vergelijking met het Nederlands: naar school, zur Schule

    Het Nederlands zegt “naar school”, “naar huis”, “naar kantoor” vaak zonder lidwoord. Het Duits zet er bijna altijd een lidwoord bij, samengetrokken met het voorzetsel: zur Schule, zur Arbeit, zum Arzt, ins Büro. Dat lidwoord weglaten is in het Duits een fout, geen verkorting. De grote uitzondering is nach Hause, “naar huis”.

    Die Kinder gehen zur Schule.De kinderen gaan naar school.

  2. Goed om te weten

    am bij datums en de overtreffende trap

    Am doet nog twee vaste dingen: het staat voor dagen en datums (am Montag, “op maandag”; am dritten Mai, “op drie mei”) en vormt de overtreffende trap na een werkwoord (am schnellsten, “het snelst”). In beide gevallen bestaat er geen losse vorm.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · gehen · kommen · fahren · legen · treffen

Verwante thema’s