Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Vervoeging van müssen

  • Betekenis moeten
  • Niveau A1
  • Patroon onregelmatig
  • Hulpwerkwoord haben

Wat bijzonder is aan dit werkwoord

Vet en onderstreept: de uitgang. ◆ markeert een vorm die van de regel afwijkt.

Aantonende wijs

PlusquamperfektPlusquamperfekt (voltooid verleden tijd)

ichhatte gemusst
duhattest gemusst
er/​sie/​eshatte gemusst
wirhatten gemusst
ihrhattet gemusst
sie/​Siehatten gemusst

Meer hierover: Het Plusquamperfekt: wat daarvoor al gebeurd was

Futur IIvoltooid toekomende tijd

ichwerde gemusst haben
duwirst gemusst haben
er/​sie/​eswird gemusst haben
wirwerden gemusst haben
ihrwerdet gemusst haben
sie/​Siewerden gemusst haben

Vormen van de Konjunktiv

Konjunktiv IKonjunktiv I, indirecte rede

ichmüsse
dumüssest
er/​sie/​esmüsse
wirmüssen
ihrmüsset
sie/​Siemüssen

Konjunktiv IIKonjunktiv II, het onwerkelijke

ichmüsste
dumüsstest
er/​sie/​esmüsste
wirmüssten
ihrmüsstet
sie/​Siemüssten

Meer hierover: Konjunktiv II: de Duitse “zou”-vorm

Onvervoegde vormen

Voorbeeldzinnen uit de cursus

Elke zin komt uit de woordenlijsten of grammaticathema’s van deze cursus. De werkwoordsvorm is gemarkeerd; eronder staat welke tijd en persoon het is.

  • Ich muss noch zur Post.Ik moet nog naar het postkantoor.

    muss – Präsens · ich; Präsens · er/sie/es

  • Wir müssen früh aufstehen.We moeten vroeg opstaan.

    müssen – Präsens · wir; Präsens · sie/Sie

  • Das musste ich nachschlagen.Dat moest ik opzoeken.

    musste – Präteritum · ich; Präteritum · er/sie/es

  • Wir mussten das Auto schieben.We moesten de auto duwen.

    mussten – Präteritum · wir; Präteritum · sie/Sie

  • Ich habe leider gemusst.Ik moest helaas.

    gemusst – Partizip II

  • Du musst nicht mitkommen.Je hoeft niet mee te komen.

    musst – Präsens · du · Niet hoeven of niet mogen: “nicht müssen” en “nicht dürfen”

Typische valkuil

Fout Ich muss zu gehen.

Goed Ich muss gehen.

Het Nederlands zet “te” voor bijna elke infinitief en laat het weg na de modale werkwoorden — dezelfde verdeling als in het Duits. Een verschil zit bij “helpen” en “leren”: in het Nederlands vaak met “te”, in het Duits meestal zonder. Een losse zu na lassen is een van de hoorbaarste fouten op dit niveau.

Infinitief met en zonder zu

Kort oefenen

Open plekken: 5 – eerst uit de voorbeeldzinnen hierboven, dan uit de tabel. Elk antwoord telt mee voor je herhalingen.

Verder leren

Werkwoorden met hetzelfde patroon

Bijpassende grammaticathema’s

De vormen zijn berekend volgens de regels van de taal – twee keer, langs twee onafhankelijke wegen – en vergeleken met alle met de hand geschreven vormen in deze cursus. De voorbeeldzinnen zijn eigen zinnen van de cursus.