A2
Duits A2: Basis
Op dit niveau komt de tijd erbij. Je kunt vertellen wat er gebeurd is en aankondigen wat je van plan bent. De zinnen worden langer, omdat ze aan elkaar vast gaan zitten: de eerste verbindingswoorden – “en”, “maar”, “omdat”, “als” – doen mee.
De woordenschat beslaat het dagelijks leven: werk, wonen, reizen, gezondheid, het weer. Wat onbekend is, blijft lastig; wat bekend is, gaat al soepel.
Tijden en Konjunktiv6
Tijden
5A2De toekomende tijd (Futur I) en wanneer je hem niet nodig hebtHet Duits zegt de toekomst meestal in de tegenwoordige tijd en bewaart werden voor voorspellingen en beloftes.A2Wat de tegenwoordige tijd allemaal doetNu, altijd, morgen en sinds wanneer — alles in één vorm.A2Het juiste hulpwerkwoord in het Perfekt kiezenDe meeste werkwoorden nemen haben; beweging en verandering van toestand nemen sein, en een lijdend voorwerp betekent altijd haben.A2Tijd aangeven: sinds, geleden, over en voorVier voorzetsels van tijd die in het Nederlands anders heten — en de tijd die het Duits bij elk ervan gebruikt.A2Het voltooid deelwoord vormenDrie patronen, twee gevallen zonder ge- en één geval waarin ge- naar binnen schuift.
Konjunktiv
1Werkwoorden: vervoeging, modale werkwoorden, lijdende vorm5
Het werkwoord: tegenwoordige tijd en stam
3A2Sterke werkwoorden: drie vormen met wisselende klinkerHet systeem van “zingen — zong — gezongen” ken je al. Nieuw is dat de klinker soms ook in de tegenwoordige tijd wisselt.A2De gebiedende wijsDrie vormen voor drie manieren van aanspreken — en een klein woordje dat een bevel in een uitnodiging verandert.A2Onscheidbare werkwoorden: be-, ver-Acht onbeklemtoonde voorvoegsels die vast blijven zitten en geen ge- in het voltooid deelwoord krijgen.
Modale werkwoorden
2A2Niet hoeven of niet mogen: “nicht müssen” en “nicht dürfen”De plek waar een ontkenning de betekenis omdraait — en waar het Nederlandse “moeten” je op het verkeerde been zet.A2“sollen”: opdrachten en wat men zegtEen verplichting die van iemand anders komt, en een tweede gebruik dat doorvertelt wat er gezegd wordt.
Naamvallen, zelfstandige naamwoorden en lidwoorden16
De vier naamvallen
1Zelfstandige naamwoorden: geslacht, meervoud, samenstellingen
3A2Samengestelde zelfstandige naamwoordenLees het laatste deel om te weten wat het is, en de delen ervoor om te weten welk.A2Verkleinwoorden: -chen en -leinTwee uitgangen die een woord kleiner maken, het onzijdig maken en soms de betekenis helemaal veranderen.A2Het geslacht raden aan de uitgangEen stuk of twaalf uitgangen beslissen het geslacht, en dat dekt een groot deel van de woordenschat.
Lidwoorden
2A2Geen lidwoord bij beroep, stof en meervoudBeroepen, nationaliteiten, stoffen en het onbepaalde meervoud staan vaak zonder lidwoord — bijna overal zoals in het Nederlands.A2Aanwijzen in het Duits: dichtbij en verafHet Duits wijst aan met dieser — en nog vaker met een beklemtoond der, precies zoals jij “die” zegt.
Voornaamwoorden
3A2Wederkerende voornaamwoorden: zich en zijn Duitse vormenHet systeem lijkt sterk op het Nederlandse “me, je, zich”, maar het Duits heeft twee naamvallen en geen “elkaar”.A2Onbepaalde voornaamwoorden: iemand, niemand, allesEen klein rijtje woorden voor onbepaalde personen en zaken, waarvan sommige nog een naamvalsuitgang krijgen.A2Vraagwoorden: wie, welke en wat voorHet vraagwoord voor personen wordt verbogen zoals het lidwoord, en voor “welk” en “wat voor” heeft het Duits twee aparte woorden.
Voorzetsels
4A2Wisselvoorzetsels: in, aufDativ voor een plaats, Akkusativ voor een beweging — één vraag beslist alle negen.A2Ergens heen gaan: “nach”, “zu”, “in”, “auf”Vier voorzetsels voor een bestemming, gekozen naar het soort plaats.A2Ergens zijn: in, an, auf, beiVier voorzetsels voor een plaats, allemaal met de Dativ — en ze liggen dicht bij het Nederlands.A2Ergens vandaan komen: aus en vonaus als je erin was, von als je er alleen bij was — het spiegelbeeld van in en zu.
Bijvoeglijke naamwoorden
3A2Vergrotende en overtreffende trapHet Duits zegt nooit “meer interessant”: elk bijvoeglijk naamwoord krijgt de uitgang, hoe lang het ook is.A2Vergelijken: “so … wie” en “als”Gelijkheid krijgt wie, verschil krijgt als — en dat is precies één plek verschoven ten opzichte van het Nederlands.A2Bijvoeglijk naamwoord als bijwoordHetzelfde woord beschrijft een ding en een handeling, zonder uitgang — net als in het Nederlands.
Zinsbouw8
Woordvolgorde
2Bijzinnen
3A2dass, weil, wenn: werkwoord aan het eindDe drie meest gebruikte voegwoorden, en de ene positie die ze allemaal geven.A2Wanneer: als, wenn, wannDrie woorden, en het Nederlandse “als” betekent in het Duits iets anders dan je denkt.A2Een reden geven: weil, da, dennDrie woorden voor een reden, en elk zet het werkwoord ergens anders.
Ontkenning
3A2De plaats van “nicht” in de zinOntken je de hele zin, dan staat nicht laat; ontken je een enkel woord, dan staat het er vlak voor.A2Een ontkenning tegenspreken met “doch”Doch is het Duitse “jawel”: een ja als antwoord op een ontkennende vraag of bewering.A2Nog niet en niet meer: “noch nicht”, “nicht mehr”Noch nicht, nicht mehr en kein … mehr zijn woord voor woord “nog niet”, “niet meer” en “geen … meer”.
Stijl en details1
Afwerking
1Woordenlijsten van niveau A2
Lijsten: 8 · woorden: 381
- Boodschappen en geld
- Reizen en verkeer
- Vrije tijd en sport
- School en studie
- Gevoelens en karakter
- Telefoon en internet
- Hoe vaak en wanneer
- Lichaamsverzorging
Leesteksten van niveau A2
- Der Umzug
- Beim Arzt
- Der Zug nach Hamburg
- Die Überraschung
- Das verlorene Handy
- Die Sprachschule
- Die erste Woche in der Werkstatt
- Der Abend vor der Prüfung
- Omas Geschenk
- In der Mensa
- Die Jacke ist zu klein
- Kannst du die Blumen gießen?
Zinnen uit de thema’s van dit niveau
Er hat mir sehr geholfen.Hij heeft me erg geholpen.
Der Autoschlüssel liegt in der Küche.De autosleutel ligt in de keuken.
Wir haben ein Häuschen am See.We hebben een huisje aan het meer.
Die Rechnung liegt auf dem Tisch.De rekening ligt op tafel.