Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A2VerhaalWerk1 min.

Die erste Woche in der Werkstatt

Sven vertelt zijn zus over zijn eerste week in een autogarage.

Een verhaal in het Perfekt, de verleden tijd van het gesproken Duits. Zoek de twee delen: haben of sein op de tweede plaats en het deelwoord aan het eind — Ich habe einen Fehler gemacht.

Sven ist neunzehn. Am Montag hat er seine neue Arbeit in einer kleinen Werkstatt angefangen. Am Freitag ruft er abends seine Schwester an.

„Wie war deine erste Woche?“, fragt Julia. „Schwer, aber gut“, sagt Sven. „Am Montag habe ich nicht viel gemacht. Mein Kollege Herr Demir hat mir alles gezeigt und erklärt.“

„Am Dienstag habe ich zum ersten Mal ein Auto gewaschen. Am Mittwoch habe ich mit Herrn Demir einen alten Bus repariert. Das war schwer, aber es hat Spaß gemacht.“

„Und am Donnerstag?“, fragt Julia. Sven lacht. „Am Donnerstag habe ich einen Fehler gemacht. Ich habe einer Frau den falschen Schlüssel gegeben. Sie ist mit dem falschen Auto losgefahren!“

„Nein! Und dann?“ – „Nach zehn Minuten ist sie zurückgekommen. Sie hat gesagt: ‚Mein Auto ist blau, nicht rot.‘ Wir haben alle gelacht. Herr Demir hat gesagt: ‚Das passiert jedem einmal.‘“

Meer zinnen hierover in “Taal in de praktijk”: Duits voor op het werk

Woorden
140
Zinnen
24
Woorden per zin
5,8
in de woordenschat
100 %
gemeten niveau
A2
Leestijd
1 min.

Grammatica in deze tekst

Deze vormen komen in de tekst in echt gebruik voor. Met “Toon grammatica” boven de tekst worden ze in kleur gemarkeerd.

De woorden vanaf A2 in deze tekst

Niet de moeilijke woorden in het algemeen, maar die van jouw niveau: allemaal (9) van de verschillende woorden in deze tekst (86) staan op A2 of hoger. Al het andere ken je al als je hier aankomt.

De woordenlijsten bij deze tekst

De woorden van deze tekst staan op woordenlijsten van deze site (lijsten: 17); het getal erachter zegt hoeveel woorden uit welke lijst komen. Wie de tekst gelezen heeft, heeft net deze woorden nodig gehad – en kan precies die overhoren.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · sein · machen · sagen · fragen · lachen · geben · zeigen

Begripsvragen

Vragen bij de tekst: 4. Bij elk antwoord verschijnt de zin waarin het staat – een vraag waarvan je het antwoord niet in de tekst terugvindt, toetst niets.

1. Wer hat Sven am Montag alles gezeigt?

2. Was hat Sven am Mittwoch gemacht?

3. Welchen Fehler hat Sven gemacht?

4. Welche Farbe hat das Auto der Frau?