A1 · Woorden: 40
De eerste werkwoorden in het Duits
Doen, gaan, zien, weten: de werkwoorden die je elke dag nodig hebt.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (40), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Veel Duitse werkwoorden lijken op hun Nederlandse broertjes: gehen– gaansehen– zientrinken– drinken Het Duits vervoegt wel iets meer: du gehst, er geht, ihr geht, en bij sterke werkwoorden verandert vaak de klinker: ich sehe, du siehst. Scheidbare werkwoorden werken zoals in het Nederlands: Ich rufe dich an, “ik bel je op”. Let op valse vrienden als bekommen (krijgen, niet bekomen) — die staan in latere lijsten.
De woorden
Werkwoord (39)
machendoen, makenWerkwoordA1
Vaak waar het Nederlands “doen” zegt: Was machst du?
gehengaan, lopenWerkwoordA1
Ook “lopen”: zu Fuß gehen is te voet gaan.
sehenzienWerkwoordA1
Sterk: du siehst, er sieht; sah – gesehen.
gebengevenWerkwoordA1
es gibt betekent “er is, er zijn”.
sagenzeggenWerkwoordA1
lesenlezenWerkwoordA1
Sterk: du liest, er liest.
schreibenschrijvenWerkwoordA1
hörenhoren, luisteren naarWerkwoordA1
wissenwetenWerkwoordA1
Onregelmatig: ich weiß, du weißt, er weiß.
denkendenkenWerkwoordA1
glaubengeloven, denkenWerkwoordA1
brauchennodig hebbenWerkwoordA1
Een werkwoord, waar het Nederlands “nodig hebben” zegt.
habenhebbenWerkwoordA1
werdenworden; zullenWerkwoordA1
Ook het hulpwerkwoord van de toekomst: Ich werde kommen = “ik zal komen”.
bleibenblijvenWerkwoordA1
kaufenkopenWerkwoordA1
bezahlenbetalenWerkwoordA1
helfenhelpenWerkwoordA1
wartenwachtenWerkwoordA1
warten auf = wachten op.
fragenvragenWerkwoordA1
antwortenantwoordenWerkwoordA1
anfangenbeginnenWerkwoordA1
Scheidbaar: Der Film fängt an.
aufhörenophouden, stoppenWerkwoordA2
schlafenslapenWerkwoordA1
aufstehenopstaanWerkwoordA1
lernenlerenWerkwoordA1
Alleen “zelf leren”; iemand iets leren is lehren of beibringen.
spielenspelenWerkwoordA1
bringenbrengen, meenemenWerkwoordA1
mögenlusten, houden vanWerkwoordA1
Lijkt op “mogen”, maar betekent “graag hebben”. “Mogen” (toestemming) is dürfen.
gefallenbevallen, mooi vindenWerkwoordA2
Het ding is onderwerp: Die Wohnung gefällt mir.
vergessenvergetenWerkwoordA1
verlierenverliezen, kwijtrakenWerkwoordA2
öffnenopenen, opengaanWerkwoordA1
schließensluiten, dichtgaanWerkwoordA1
mitkommenmeekomenWerkwoordA1
anrufenopbellenWerkwoordA1
Met de Akkusativ: Ich rufe dich an.
treffenontmoeten, afsprekenWerkwoordA1
sich treffen = elkaar treffen, afspreken.
benutzengebruikenWerkwoordA2
versuchenproberenWerkwoordA2
Uitdrukking (1)
es gibter is, er zijnUitdrukkingA1
Altijd met de Akkusativ: Es gibt einen Park.
Deze lijst hoort bij Basis: getallen, tijd en werkwoorden — lijsten: acht, woorden: 321; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.