B1 · Woorden: 31
Werkwoorden van beweging in het Duits
Rennen, springen, duwen, trekken — hoe je je beweegt.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (31), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Bij werkwoorden van beweging gebruikt het Duits in de voltooide tijd meestal sein, zoals het Nederlands “zijn”: Sie ist gerannt, Er ist gesprungen. Wat je met iets doet — duwen, trekken, gooien — gaat met haben. Op deuren staat Drücken (duwen) en Ziehen (trekken). Ziehen is ook “verhuizen”: Wir ziehen nach Berlin.
De woorden
Werkwoord (27)
sich bewegenbewegenWerkwoordB1
rennenrennenWerkwoordB1
springenspringenWerkwoordA2
kletternklimmenWerkwoordB1
fallenvallenWerkwoordA2
rutschenuitglijden, glijdenWerkwoordB1
schiebenduwen, schuivenWerkwoordB1
ziehentrekkenWerkwoordA2
Ook “verhuizen”: nach Berlin ziehen.
hebentillen, heffenWerkwoordB1
werfengooien, werpenWerkwoordB1
fangenvangenWerkwoordB1
drehendraaienWerkwoordB1
sich umdrehenzich omdraaienWerkwoordB1
klopfenkloppenWerkwoordB1
winkenzwaaienWerkwoordB1
zeigenwijzen, tonenWerkwoordA2
sich beeilenzich haastenWerkwoordA2
folgenvolgenWerkwoordA2
erreichenbereiken, halenWerkwoordB1
verlassenverlatenWerkwoordB1
vorbeigehenlangsgaanWerkwoordB1
hineingehennaar binnen gaanWerkwoordB1
hinausgehennaar buiten gaanWerkwoordB1
zurückkommenterugkomenWerkwoordA2
weglaufenweglopenWerkwoordB1
sich setzengaan zittenWerkwoordA2
sich hinlegengaan liggenWerkwoordB1
Bijwoord (2)
fortwegBijwoordB1
auseinanderuit elkaarBijwoordB1
Zelfstandig naamwoord (1)
die Bewegungde bewegingZelfstandig naamwoordB1
Uitdrukking (1)
stehen bleibenblijven staanUitdrukkingB1
Deze lijst hoort bij Basis: getallen, tijd en werkwoorden — lijsten: acht, woorden: 321; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.