A1E-mailWerk1 min.
Morgen komme ich später
Een korte mail aan de baas: ’s ochtends een afspraak bij de dokter.
Een korte werkmail. Let op de aanhef en het slot, en op de tijdswoorden: morgen, um neun Uhr, am Nachmittag.
Hallo Frau Wolf,
morgen habe ich um neun Uhr einen Termin beim Arzt. Ich komme erst um elf Uhr ins Büro.
Den Termin um zehn Uhr kann Tim machen. Er hat alle Papiere.
Am Nachmittag bin ich wieder da. Ich arbeite dann bis sechs Uhr.
Danke und bis morgen
Markus
Hallo Frau Wolf,
morgen um neun Uhr gehe ich zum Arzt. Ich komme um elf Uhr ins Büro.
Tim macht den Termin um zehn Uhr. Er hat alle Papiere.
Am Nachmittag bin ich da. Ich arbeite bis sechs Uhr.
Danke und bis morgen
Markus
Klik op een woord om het op te zoeken in de woordenschat van deze site.
Meer zinnen hierover in “Taal in de praktijk”: Duits voor op het werk
- Woorden
- 54
- Zinnen
- 7
- Woorden per zin
- 7,7
- in de woordenschat
- 100 %
- gemeten niveau
- A1
- Leestijd
- 1 min.
Grammatica in deze tekst
Deze vormen komen in de tekst in echt gebruik voor. Met “Toon grammatica” boven de tekst worden ze in kleur gemarkeerd.
morgen habe ich · Am Nachmittag bin ich
Een tijd vooraan duwt het onderwerp achter het werkwoord: morgen habe ich, Am Nachmittag bin ich. Het werkwoord op de tweede plaats →
kann Tim machen
Modaal werkwoord op de tweede plaats, infinitief aan het eind: Den Termin … kann Tim machen. De zes modale werkwoorden van het Duits →
De woorden vanaf A1 in deze tekst
Niet de moeilijke woorden in het algemeen, maar die van jouw niveau: allemaal (18) van de verschillende woorden in deze tekst (37) staan op A1 of hoger. Al het andere ken je al als je hier aankomt.
alle
allemaal, iedereen
A1arbeiten
werken
A1danke
dank je, dank u
A1das Büro
het kantoor
A1der Arzt
de arts, de dokter
A1der Termin
de afspraak
A1die Frau
mevrouw; vrouw; echtgenote
A1die Uhr
de klok, het horloge; uur
A1elf
elf
A1hallo
hallo, hoi
A1kommen
komen
A1können
kunnen
A1machen
doen, maken
A1morgen
morgen
A1neun
negen
A1sechs
zes
A1später
later
A1zehn
tien
A1
De woordenlijsten bij deze tekst
De woorden van deze tekst staan op woordenlijsten van deze site (lijsten: 9); het getal erachter zegt hoeveel woorden uit welke lijst komen. Wie de tekst gelezen heeft, heeft net deze woorden nodig gehad – en kan precies die overhoren.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: haben · sein · können · kommen · machen · arbeiten
Begripsvragen
Vragen bij de tekst: 3. Bij elk antwoord verschijnt de zin waarin het staat – een vraag waarvan je het antwoord niet in de tekst terugvindt, toetst niets.
1. Warum kommt Markus morgen später?
Lies den ersten Satz nach der Anrede.
Achte auf das Wort „Termin“.
morgen habe ich um neun Uhr einen Termin beim Arzt
2. Wer macht den Termin um zehn Uhr?
Lies den Absatz über den Termin um zehn.
Achte auf den Namen.
Den Termin um zehn Uhr kann Tim machen
3. Bis wann arbeitet Markus morgen?
Lies den Absatz über den Nachmittag.
Achte auf das Wort „bis“.
Ich arbeite dann bis sechs Uhr