Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A1  ·  Woorden: 49

Lichaam en gezondheid in het Duits

Hoofd, buik, rug — en hoe je zegt wat er pijn doet.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (49), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Pijn drukt het Duits uit met wehtun: Mir tut der Kopf weh, letterlijk “mij doet het hoofd pijn”. De persoon staat in de Dativ. Ook Kopfschmerzen, Bauchschmerzen en Halsschmerzen zijn heel gewoon. Een arts heet in de praktijk der Arzt of die Ärztin; de huisarts is der Hausarzt. Op het spreekuur neem je de verzekeringskaart mee, die Versicherungskarte.

De woorden

Werkwoord (7)

wehtunpijn doenWerkwoordA1
Was tut Ihnen weh?Wat doet er pijn?

Mir tut … weh: de persoon in de Dativ.

hustenhoestenWerkwoordA2
Er hustet schon die ganze Woche.Hij hoest al de hele week.
untersuchenonderzoekenWerkwoordA2
Der Arzt hat mich gründlich untersucht.De dokter heeft me grondig onderzocht.
sich fühlenzich voelenWerkwoordA1
Wie fühlen Sie sich heute?Hoe voelt u zich vandaag?

Vervoeging van sich fühlen →

sich ausruhenuitrustenWerkwoordA2
Sie sollten sich ein paar Tage ausruhen.U moet een paar dagen rust nemen.
einschlafenin slaap vallenWerkwoordA2
Ich bin gestern erst um zwei eingeschlafen.Ik viel gisteren pas om twee uur in slaap.
schluckenslikkenWerkwoordA2
Mit Halsschmerzen kann ich kaum schlucken.Met keelpijn kan ik bijna niet slikken.

Zelfstandig naamwoord (34)

der Körperhet lichaamZelfstandig naamwoordA1
Der Körper braucht Schlaf.Het lichaam heeft slaap nodig.
der Kopfhet hoofdZelfstandig naamwoordA1
Mir tut der Kopf weh.Ik heb hoofdpijn.

Mannelijk: der Kopf.

das Gesichthet gezichtZelfstandig naamwoordA1
Sie hat sich das Gesicht gewaschen.Ze heeft haar gezicht gewassen.
das Augehet oogZelfstandig naamwoordA1
Mach die Augen zu.Doe je ogen dicht.
das Ohrhet oorZelfstandig naamwoordA1
Das linke Ohr tut mir weh.Mijn linkeroor doet pijn.
die Nasede neusZelfstandig naamwoordA1
Meine Nase ist verstopft.Mijn neus zit dicht.
der Mundde mondZelfstandig naamwoordA1
Machen Sie bitte den Mund auf.Doet u uw mond even open.
der Zahnde tandZelfstandig naamwoordA1
Ein Zahn ist abgebrochen.Er is een tand afgebroken.

Meervoud met Umlaut: die Zähne.

der Halsde hals, de keelZelfstandig naamwoordA1
Ich habe Halsschmerzen.Ik heb keelpijn.

Ook de keel van binnen: Halsschmerzen.

die Handde handZelfstandig naamwoordA1
Ich wasche mir die Hände.Ik was mijn handen.
der Armde armZelfstandig naamwoordA1
Sie hat sich den Arm gebrochen.Ze heeft haar arm gebroken.
das Beinhet beenZelfstandig naamwoordA1
Das Bein ist noch geschwollen.Het been is nog gezwollen.

Alleen het lichaamsdeel; bot is der Knochen.

der Fußde voetZelfstandig naamwoordA1
Wir sind zu Fuß gegangen.We zijn te voet gegaan.
der Rückende rugZelfstandig naamwoordA1
Mein Rücken tut seit Tagen weh.Mijn rug doet al dagen pijn.
der Bauchde buikZelfstandig naamwoordA1
Das Kind hat Bauchschmerzen.Het kind heeft buikpijn.
das Herzhet hartZelfstandig naamwoordA2
Das Herz schlägt zu schnell.Het hart klopt te snel.
das Bluthet bloedZelfstandig naamwoordA2
Der Arzt hat mir Blut abgenommen.De dokter heeft bloed bij me afgenomen.
die Hautde huidZelfstandig naamwoordA2
Die Haut ist sehr trocken.De huid is erg droog.
das Haarhet haarZelfstandig naamwoordA1
Sie hat lange Haare.Ze heeft lang haar.

Meestal meervoud: die Haare.

die Schmerzende pijnen, de pijn (meervoud)Zelfstandig naamwoordA1
Haben Sie Schmerzen?Heeft u pijn?

Meestal meervoud.

die Erkältungde verkoudheidZelfstandig naamwoordA2
Ich habe eine Erkältung.Ik ben verkouden.
das Fieberde koortsZelfstandig naamwoordA2
Sie hat hohes Fieber.Ze heeft hoge koorts.
die Sprechstundehet spreekuurZelfstandig naamwoordA2
Die Sprechstunde ist von acht bis zwölf.Het spreekuur is van acht tot twaalf.
die Praxisde praktijkZelfstandig naamwoordA2
Die Praxis ist heute geschlossen.De praktijk is vandaag gesloten.
der Terminde afspraakZelfstandig naamwoordA1
Ich hätte gern einen Termin.Ik wil graag een afspraak.
das Medikamenthet medicijnZelfstandig naamwoordA2
Nehmen Sie das Medikament zweimal täglich.Neem het medicijn twee keer per dag in.
das Rezepthet receptZelfstandig naamwoordA2
Dafür brauchen Sie ein Rezept.Daarvoor heeft u een recept nodig.

Zowel bij de dokter als in de keuken.

die Versicherungskartede verzekeringspasZelfstandig naamwoordA2
Bitte die Versicherungskarte mitbringen.De verzekeringspas meenemen, alstublieft.
der Notarztde spoedartsZelfstandig naamwoordA2
Rufen Sie bitte den Notarzt.Belt u alstublieft de spoedarts.
die Krankschreibungde ziekmelding, het doktersbriefjeZelfstandig naamwoordA2
Brauchen Sie eine Krankschreibung für den Arbeitgeber?Heeft u een doktersbriefje nodig voor uw werkgever?

In Duitsland schrijft de arts je ziek; dat briefje gaat naar de werkgever.

die Gesundheitde gezondheidZelfstandig naamwoordA2
Sport ist gut für die Gesundheit.Sport is goed voor je gezondheid.

Na een nies zeg je Gesundheit! (gezondheid!).

der Schmerzde pijnZelfstandig naamwoordA2
Ich habe starke Schmerzen im Rücken.Ik heb erge pijn in mijn rug.
die Kopfschmerzende hoofdpijnZelfstandig naamwoordA2
Ich habe seit heute Morgen Kopfschmerzen.Ik heb sinds vanochtend hoofdpijn.
der Zahnarztde tandartsZelfstandig naamwoordA2
Morgen gehe ich zum Zahnarzt.Morgen ga ik naar de tandarts.

Bijvoeglijk naamwoord (8)

krankziekBijvoeglijk naamwoordA1
Er ist seit Montag krank.Hij is sinds maandag ziek.

Valse vriend: niet “krank” in de zin van gebrekkig.

gesundgezondBijvoeglijk naamwoordA1
Werde bald wieder gesund.Word maar snel weer beter.
müdemoeBijvoeglijk naamwoordA1
Ich bin heute sehr müde.Ik ben vandaag erg moe.
besserbeterBijvoeglijk naamwoordA1
Mir geht es schon besser.Het gaat al beter met me.
wehpijnlijk (wehtun: pijn doen)Bijvoeglijk naamwoordA1
Mir tut der Kopf weh.Mijn hoofd doet pijn.
erkältetverkoudenBijvoeglijk naamwoordA2
Ich bin erkältet und bleibe heute zu Hause.Ik ben verkouden en blijf vandaag thuis.
totdoodBijvoeglijk naamwoordA2
Die Pflanze ist leider tot.De plant is helaas dood.
anstrengendvermoeiend, zwaarBijvoeglijk naamwoordB1
Die Woche war sehr anstrengend.De week was erg vermoeiend.

Terug naar de overhoring ↑

Deze lijst hoort bij Lichaam, gezondheid en zorg — lijsten: drie, woorden: 129; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining