Altijd, soms, nooit, vroeger, straks — woorden voor tijd en herhaling.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (45), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Tijdsaanduidingen op -s zeggen dat iets steeds gebeurt: morgens (’s ochtends), abends (’s avonds), montags (op maandag, elke maandag). Ze worden klein geschreven. Pas op schon en noch: schonis “al”nochis “nog” En bald is “binnenkort”.
De woorden
Weergave
Bijwoord (31)
immeraltijdBijwoordA1
Sie kommt immer zu spät.Ze komt altijd te laat.
oftvaakBijwoordA1
Wir gehen oft spazieren.We gaan vaak wandelen.
manchmalsomsBijwoordA1
Manchmal arbeite ich zu Hause.Soms werk ik thuis.
seltenzeldenBijwoordA2
Das passiert nur selten.Dat gebeurt maar zelden.
nienooitBijwoordA1
Ich war noch nie in Wien.Ik ben nog nooit in Wenen geweest.
meistensmeestalBijwoordA2
Meistens frühstücke ich nicht.Meestal ontbijt ik niet.
häufigvaak, frequentBijwoordB1
Das kommt häufig vor.Dat komt vaak voor.
regelmäßigregelmatigBijwoordB1
Er geht regelmäßig schwimmen.Hij gaat regelmatig zwemmen.
ständigsteeds, voortdurendBijwoordB1
Das Telefon klingelt ständig.De telefoon gaat voortdurend.
morgens’s ochtendsBijwoordA2
Morgens bin ich zu nichts zu gebrauchen.’s Ochtends ben ik nergens toe in staat.
abends’s avondsBijwoordA2
Abends lese ich meistens.’s Avonds lees ik meestal.
nachts’s nachtsBijwoordA2
Nachts ist es hier ganz still.’s Nachts is het hier helemaal stil.
mittags’s middags (rond twaalf uur)BijwoordA2
Mittags mache ich eine Stunde Pause.Rond het middaguur neem ik een uur pauze.
Rond het middaguur; ’s middags later is nachmittags.
sofortmeteen, onmiddellijkBijwoordA2
Ich komme sofort.Ik kom meteen.
baldbinnenkort, gauwBijwoordA1
Wir sehen uns bald.We zien elkaar gauw.
späterlaterBijwoordA1
Das machen wir später.Dat doen we later.
frühervroegerBijwoordA2
Früher war hier ein Kino.Vroeger was hier een bioscoop.
damalstoen, destijdsBijwoordB1
Damals gab es noch keine Handys.Toen waren er nog geen mobieltjes.
neulichlaatst, onlangsBijwoordB1
Ich habe ihn neulich getroffen.Ik heb hem laatst ontmoet.
vorhindaarnet, zonetBijwoordB1
Vorhin hat jemand angerufen.Daarnet heeft er iemand gebeld.
schonalBijwoordA1
Bist du schon fertig?Ben je al klaar?
nochnogBijwoordA1
Wir haben noch Zeit.We hebben nog tijd.
endlicheindelijkBijwoordA2
Endlich sind wir da.Eindelijk zijn we er.
plötzlichplotselingBijwoordB1
Plötzlich ging das Licht aus.Plotseling ging het licht uit.
inzwischenintussen, inmiddelsBijwoordB1
Inzwischen wohnt sie in Berlin.Inmiddels woont ze in Berlijn.
vorhervan tevorenBijwoordA2
Sag mir vorher Bescheid.Laat het me van tevoren weten.
nachherstraks, daarnaBijwoordA2
Nachher gehen wir noch essen.Straks gaan we nog uit eten.
jederzeitaltijd, op elk momentBijwoordB1
Du kannst mich jederzeit anrufen.Je kunt me altijd bellen.
vorbeivoorbijBijwoordA2
Der Sommer ist schon vorbei.De zomer is al voorbij.
diesmaldeze keerBijwoordA2
Diesmal komme ich pünktlich.Deze keer ben ik op tijd.
hinterherachteraf; erachteraanBijwoordB1
Hinterher ist man immer klüger.Achteraf is iedereen slimmer.
Uitdrukking (3)
ab und zuaf en toeUitdrukkingA2
Ab und zu koche ich selbst.Af en toe kook ik zelf.
hin und wiederzo nu en danUitdrukkingB1
Hin und wieder schreibt sie noch.Zo nu en dan schrijft ze nog.
jedes Malelke keerUitdrukkingA2
Jedes Mal dasselbe.Elke keer hetzelfde.
Bijvoeglijk naamwoord (6)
täglichdagelijksBijvoeglijk naamwoordA2
Der Bus fährt täglich.De bus rijdt dagelijks.
wöchentlichwekelijksBijvoeglijk naamwoordB1
Die Sitzung ist wöchentlich.De vergadering is wekelijks.
monatlichmaandelijksBijvoeglijk naamwoordB1
Die Miete wird monatlich abgebucht.De huur wordt maandelijks afgeschreven.
jährlichjaarlijksBijvoeglijk naamwoordB1
Der Vertrag verlängert sich jährlich.Het contract wordt jaarlijks verlengd.
aktuellactueel, huidigBijvoeglijk naamwoordB1
Ist die Liste noch aktuell?Is de lijst nog actueel?
heutigvan vandaag, huidigBijvoeglijk naamwoordB1
In der heutigen Zeitung steht nichts darüber.In de krant van vandaag staat er niets over.
Zelfstandig naamwoord (5)
die Zukunftde toekomstZelfstandig naamwoordA2
In Zukunft fahre ich mit dem Rad zur Arbeit.Voortaan fiets ik naar mijn werk.
die Vergangenheithet verledenZelfstandig naamwoordA2
Über die Vergangenheit spricht er nicht gern.Over het verleden praat hij niet graag.
der Augenblickhet ogenblikZelfstandig naamwoordB1
Einen Augenblick, bitte!Een ogenblikje, alstublieft!
der Beginnhet beginZelfstandig naamwoordA2
Kurz vor Beginn des Films kam sie ins Kino.Vlak voor het begin van de film kwam ze binnen.
die Feriende vakantie (school)Zelfstandig naamwoordA1
In den Ferien fahren wir ans Meer.In de vakantie gaan we naar zee.
Schoolvakantie; vakantie van het werk is der Urlaub.