Jeder Satz stammt aus den Wortlisten oder Grammatikthemen dieses Kurses. Die Form des Verbs ist markiert; darunter steht, welche Zeit und Person sie ist.
Ze verkopen hier tweedehands kleren.Hier verkaufen sie gebrauchte Kleidung.
verkopen — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie
Op de vrijmarkt verkoopt mijn dochter oud speelgoed.Auf dem Flohmarkt verkauft meine Tochter altes Spielzeug.
verkoopt — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het
Alle kaartjes zijn verkocht.Alle Karten sind verkauft (worden).
verkocht — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je · Het is gemaakt: das Perfekt des Passivs
Ze hebben hun huis verkocht.Sie haben ihr Haus verkauft.
verkocht — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je · Betaald, vergeten, opgebeld: Partizipien ohne ge- und mit ge- in der Mitte
Lotte en Ruben verkopen hun huis.Lotte und Ruben verkaufen ihr Haus.
verkopen — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie · mijn, jouw, ons, onze: Possessivpronomen
We hebben onze oude auto verkocht.Wir haben unser altes Auto verkauft.
verkocht — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je