Jeder Satz stammt aus den Wortlisten oder Grammatikthemen dieses Kurses. Die Form des Verbs ist markiert; darunter steht, welche Zeit und Person sie ist.
Je moet leren delegeren.Du musst lernen zu delegieren.
leren — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie
Ze leerde op een cursus reanimeren.Sie lernte in einem Kurs Wiederbelebung.
leerde — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je
Ik leer veel over de Nederlandse cultuur.Ich lerne viel über die niederländische Kultur.
leer — Onvoltooid tegenwoordige tijd · ik; Gebiedende wijs · jij/jullie
Ze leert me fietsen.Sie bringt mir Radfahren bei.
leert — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het · Proberen te, om … te: der Infinitiv mit te
Ze heeft drie talen geleerd en twee gesproken.Sie hat drei Sprachen gelernt und zwei gesprochen.
geleerd — voltooid deelwoord · Gegeten, geschreven, gegaan: starke Partizipien
Bij die gelegenheid hebben we elkaar leren kennen.Bei dieser Gelegenheit haben wir uns kennengelernt.
leren — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie