Jeder Satz stammt aus den Wortlisten oder Grammatikthemen dieses Kurses. Die Form des Verbs ist markiert; darunter steht, welche Zeit und Person sie ist.
Heb je het nieuws al gehoord?Hast du die Neuigkeiten schon gehört?
gehoord — voltooid deelwoord
Bij de borrel horen bitterballen.Zum Umtrunk gehören Bitterballen.
horen — Onvoltooid tegenwoordige tijd · wij/we; Onvoltooid tegenwoordige tijd · jullie
Bij de erwtensoep hoort rookworst.Zur Erbsensuppe gehört Räucherwurst.
hoort — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het
Ik was blij toen ik het hoorde.Ich war froh, als ich es hörte.
hoorde — Onvoltooid verleden tijd · ik; Onvoltooid verleden tijd · jij/je · Toen, als, wanneer: drei Wörter für „als“ und „wenn“
Niemand heeft de bel gehoord.Niemand hat die Klingel gehört.
gehoord — voltooid deelwoord
Hij doet alsof hij het niet hoort.Er tut so, als ob er es nicht hört.
hoort — Onvoltooid tegenwoordige tijd · jij/je; Onvoltooid tegenwoordige tijd · hij/zij/het