Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

B1BerichtDagelijks leven1 min.

Wer hilft beim Umzug?

Een familie-appgroep: opa verhuist naar een kleiner appartement, en iedereen moet een taak vinden.

Een familiechat over een verhuizing. Lees het als een plan: wie doet wat, wanneer, en wat staat er aan het eind nog open?

Mama

Hallo zusammen! Opa zieht am 12. in die neue Wohnung. Wir brauchen am Samstag Hilfe beim Packen und am Sonntag beim Tragen. Wer kann wann?

Felix

Samstag arbeite ich bis zwei, danach kann ich kommen. Sonntag bin ich den ganzen Tag da.

Lena

Ich kann am Samstag ab zehn helfen. Am Sonntag habe ich leider schon etwas vor.

Mama

Sehr gut, danke! Felix, kannst du am Sonntag den großen Wagen von deinem Freund leihen? Opas Schrank passt nicht in unser Auto.

Felix

Ich frage ihn heute Abend. Wenn er ihn nicht braucht, ist das kein Problem.

Lena

Was passiert eigentlich mit den vielen Büchern? In der neuen Wohnung ist doch kaum Platz.

Mama

Opa will nur die wichtigsten in die neue Wohnung nehmen. Den Rest kann sich jeder von euch aussuchen. Was dann noch übrig ist, bringen wir in die Bibliothek.

Felix

Ich hätte gern die alten Bücher mit den Karten.

Lena

Und ich die Bücher mit Omas Rezepten!

Mama

Ihr seid die Besten. Ich bringe Samstag Kartons und Essen mit. Opa freut sich schon auf euch.

Woorden
167
Zinnen
24
Woorden per zin
7,0
in de woordenschat
100 %
gemeten niveau
A2
Leestijd
1 min.

Grammatica in deze tekst

Deze vormen komen in de tekst in echt gebruik voor. Met “Toon grammatica” boven de tekst worden ze in kleur gemarkeerd.

De woorden vanaf B1 in deze tekst

Niet de moeilijke woorden in het algemeen, maar die van jouw niveau: allemaal (3) van de verschillende woorden in deze tekst (107) staan op B1 of hoger. Al het andere ken je al als je hier aankomt.

De woordenlijsten bij deze tekst

De woorden van deze tekst staan op woordenlijsten van deze site (lijsten: 20); het getal erachter zegt hoeveel woorden uit welke lijst komen. Wie de tekst gelezen heeft, heeft net deze woorden nodig gehad – en kan precies die overhoren.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · können · haben · brauchen · bringen · kommen · nehmen · wollen

Begripsvragen

Vragen bij de tekst: 4. Bij elk antwoord verschijnt de zin waarin het staat – een vraag waarvan je het antwoord niet in de tekst terugvindt, toetst niets.

1. Wann zieht Opa um?

2. Wann kann Felix am Samstag kommen?

3. Warum braucht die Familie einen großen Wagen?

4. Was passiert mit den Büchern, die niemand will?