Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

B1VerhaalDagelijks leven1 min.

Die neue Stadt

Voor het werk naar een nieuwe stad verhuizen, en je er langzaam thuis gaan voelen.

Langere zinnen met bijzinnen — obwohl, seitdem — en het Präteritum, dat geschreven Duits voor een verhaal verkiest: zeigte, erzählte, wusste, kannte. Let ook op mir war alles fremd: het Duits zet wie iets voelt vaak in de Dativ, waar het Nederlands “alles was me vreemd” zegt.

Vor drei Monaten bin ich wegen einer neuen Stelle nach Leipzig gezogen. Früher brauchte ich jeden Tag über eine Stunde zur Arbeit, heute gehe ich nur fünfzehn Minuten zu Fuß.

Am Anfang war mir alles fremd. Ich wusste nicht, wo man gut einkauft, und kannte niemanden außer meinen Kollegen.

Dann lernte ich meine Nachbarin kennen, eine ältere Frau aus dem Erdgeschoss. Sie zeigte mir den Markt am Samstag und erzählte mir viel über die Geschichte des Viertels.

Obwohl ich noch nicht viele Freunde habe, fühle ich mich hier langsam zu Hause. Seitdem ich so nah an der Arbeit wohne, habe ich abends sogar Zeit für Sport.

Woorden
106
Zinnen
8
Woorden per zin
13,2
in de woordenschat
100 %
gemeten niveau
B1
Leestijd
1 min.

De woorden vanaf B1 in deze tekst

Niet de moeilijke woorden in het algemeen, maar die van jouw niveau: allemaal (1) van de verschillende woorden in deze tekst (87) staan op B1 of hoger. Al het andere ken je al als je hier aankomt.

De woordenlijsten bij deze tekst

De woorden van deze tekst staan op woordenlijsten van deze site (lijsten: 16); het getal erachter zegt hoeveel woorden uit welke lijst komen. Wie de tekst gelezen heeft, heeft net deze woorden nodig gehad – en kan precies die overhoren.

De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: sein · haben · kennen · gehen · zeigen · brauchen · ziehen · wissen

Begripsvragen

Vragen bij de tekst: 4. Bij elk antwoord verschijnt de zin waarin het staat – een vraag waarvan je het antwoord niet in de tekst terugvindt, toetst niets.

1. Wie lange brauchte die Person früher zur Arbeit?

2. Wen kannte die Person am Anfang?

3. Wer zeigte der Person den Markt?

4. Wofür hat die Person jetzt abends Zeit?