Het label zegt waar een zin thuishoort. De luidspreker ernaast leest hem voor.
Ich bin Student.Ik ben student.
A1neutraal Net als in het Nederlands geen lidwoord voor een beroep of status.
Was studierst du?Wat studeer je?
A1informeel
Ich lerne Deutsch.Ik leer Duits.
A1neutraal
Wo ist Raum 204?Waar is lokaal 204?
A1neutraal der Raum is een ruimte of lokaal, niet een raam.
Ich komme aus Kanada.Ik kom uit Canada.
A1neutraal
Ich bin ein Jahr hier.Ik ben hier een jaar.
A1neutraal
Wir lernen heute zusammen.We leren vandaag samen.
A1neutraal
Mein Deutsch ist noch nicht so gut.Mijn Duits is nog niet zo goed.
A1neutraal
Wann ist die Sprechstunde von Professor Wagner?Wanneer is het spreekuur van professor Wagner?
A2neutraal Sprechstunde is de tijd die een docent vrijhoudt voor vragen van studenten.
Ich muss mich noch für die Prüfung anmelden.Ik moet me nog voor het tentamen inschrijven.
A2neutraal sich anmelden für is wederkerend en neemt für, zoals “zich inschrijven voor”.
Kann ich mir kurz deine Mitschrift ausleihen?Mag ik even je aantekeningen lenen?
A2informeel
Die Abgabefrist ist am 15. März.De inleverdatum is 15 maart.
A2neutraal
Ich wohne in einer WG mit drei anderen Studierenden.Ik woon in een studentenhuis met drie andere studenten.
A2neutraal WG (Wohngemeinschaft) is een gedeelde woning — de gewone manier om als student te wonen.
Ich studiere an der Universität in Leipzig.Ik studeer aan de universiteit in Leipzig.
A2neutraal
Mein Lieblingsfach ist Chemie.Mijn lievelingsvak is scheikunde.
A2neutraal
Morgen habe ich eine Prüfung in Statistik.Morgen heb ik een tentamen statistiek.
A2neutraal
Ich habe eine gute Note bekommen!Ik heb een goed cijfer gekregen!
A2neutraal In Duitsland is een 1 het beste cijfer en een 5 of 6 onvoldoende — andersom dan in Nederland en België.
Treffen wir uns in der Bibliothek?Spreken we af in de bibliotheek?
A2informeel
Ich studiere Maschinenbau im dritten Semester.Ik zit in het derde semester werktuigbouwkunde.
B1neutraal
Die Vorlesung fällt heute aus.Het college gaat vandaag niet door.
B1neutraal ausfallen is scheidbaar: aus gaat naar het eind van de zin.
Gehen wir nach der Übung in die Mensa?Gaan we na het werkcollege naar de mensa?
B1informeel De Mensa is de universiteitskantine.
Ich schreibe gerade meine Hausarbeit über Migration.Ik schrijf op dit moment mijn werkstuk over migratie.
B1neutraal
Sehr geehrter Herr Professor Wagner, ich habe eine Frage zur Hausarbeit.Geachte professor Wagner, ik heb een vraag over het werkstuk.
B1formeel
Welchen Kurs belegst du dieses Semester?Welk vak volg je dit semester?
B1neutraal Een vak belegt je — het gewone werkwoord voor je inschrijven.
Ich habe die Prüfung leider nicht bestanden.Ik ben helaas niet geslaagd voor het tentamen.
B1neutraal Let op: “ik ben geslaagd” is ich habe bestanden, met haben.
Wenn ich durchfalle, kann ich die Prüfung wiederholen.Als ik zak, kan ik het tentamen herkansen.
B1neutraal
Im Seminar müssen alle ein Referat halten.In de werkgroep moet iedereen een presentatie geven.
B1neutraal Een Referat is een presentatie, geen referaat in de Nederlandse zin.
Ich muss bis Freitag noch viel lernen, um die Prüfung zu bestehen.Ik moet tot vrijdag nog veel leren om voor het tentamen te slagen.
B1neutraal
Kannst du mir erklären, was der Dozent gemeint hat?Kun je me uitleggen wat de docent bedoelde?
B1informeel
In der Prüfungszeit hat die Bibliothek länger geöffnet.In de tentamenperiode is de bibliotheek langer open.
B1neutraal