Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Taal in de praktijk

Duits voor de studie

Colleges, spreekuren, tentamens en studentenhuizen: het Duits van een studentenstad.

Zinnen: 30 · Dialogen: 3 · Woorden: 14

Waarom dit terrein

Aan de meeste openbare universiteiten in de Duitstalige landen is het collegegeld laag of nul, en veel opleidingen worden in het Duits gegeven. Ook bij Engelstalige opleidingen gaan de administratie, het studentenhuis en de bijbaan meestal in het Duits.

Universiteitsduits heeft eigen woorden voor wat elke student in de eerste week tegenkomt: de Mensa, de Sprechstunde, de Hausarbeit, de WG. Wie ze kent, voorkomt veel verwarring.

Dit kun je daarna

Doelen per niveau. Vink af wat je al kunt — het vinkje blijft alleen in deze browser.

Kernwoordenschat

Woorden uit de woordenlijsten: 14, geordend per niveau. Een gekleurde rand laat zien wat je al geoefend hebt.

  • der Studentde studentA1
  • lernenlerenA1
  • studierenstuderenA2
  • die Universitätde universiteitA2
  • die Prüfunghet examen, de toetsA2
  • die Notehet cijferA2
  • die Bibliothekde bibliotheekA2
  • die Sprechstundehet spreekuurA2
  • bestehenslagen voor; bestaan uitB1
  • die Vorlesunghet collegeB1
  • das Seminarhet werkcollege, het seminarB1
  • das Semesterhet semesterB1
  • das Referatde spreekbeurt, de presentatieB1
  • die Wohngemeinschafthet studentenhuis, de woongroepB1

Typische situaties

Korte dialogen om mee te lezen en na te zeggen. Spreek eerst de ene rol, dan de andere.

Samen aan tafel in de mensa

A2

Bij de lunch ga je naast een andere student zitten.

  1. Jonas

    Ist hier noch frei?Is deze plaats nog vrij?

  2. Mei

    Ja, klar. Setz dich!Ja, tuurlijk. Ga zitten!

  3. Jonas

    Danke. Studierst du auch Informatik?Dank je. Studeer jij ook informatica?

  4. Mei

    Nein, ich studiere Biologie. Und du?Nee, ik studeer biologie. En jij?

  5. Jonas

    Informatik. Ich bin neu hier.Informatica. Ik ben hier nieuw.

  6. Mei

    Willkommen! Wenn du willst, zeige ich dir nachher die Bibliothek.Welkom! Als je wilt, laat ik je straks de bibliotheek zien.

Op het spreekuur

B1

Je wilt in een werkgroep een presentatie geven en gaat naar de docente.

  1. Student

    Guten Tag, Frau Dr. Keller. Haben Sie kurz Zeit?Goedendag, dokter Keller. Hebt u even tijd?

  2. Docente

    Ja, kommen Sie herein. Worum geht es?Ja, komt u binnen. Waar gaat het om?

  3. Student

    Ich möchte im Seminar ein Referat über Stadtplanung halten.Ik wil in de werkgroep een presentatie over stedenbouw geven.

  4. Docente

    Gute Idee. Bis wann können Sie mir eine Gliederung schicken?Goed idee. Wanneer kunt u me een opzet sturen?

  5. Student

    Bis nächsten Montag, wenn das geht.Voor volgende maandag, als dat kan.

  6. Docente

    Das passt. Und denken Sie an die Anmeldung zur Prüfung.Dat is goed. En denkt u aan de inschrijving voor het tentamen.

Een kamer bekijken

B1

Je bezoekt een studentenhuis waar een kamer vrij is.

  1. Lena

    Hallo, du bist wegen des Zimmers hier, oder?Hoi, je komt voor de kamer, toch?

  2. Ahmed

    Genau. Ich bin Ahmed und studiere Medizin im zweiten Semester.Precies. Ik ben Ahmed en zit in het tweede semester geneeskunde.

  3. Lena

    Cool. Wir sind zu dritt und kochen manchmal zusammen.Cool. We zijn met z’n drieën en koken soms samen.

  4. Ahmed

    Das klingt gut. Ist die Miete so wie in der Anzeige?Dat klinkt goed. Is de huur zoals in de advertentie?

  5. Lena

    Ja, und die Nebenkosten sind schon dabei.Ja, en de servicekosten zitten er al bij.

  6. Ahmed

    Super. Ab wann wäre das Zimmer frei?Super. Vanaf wanneer zou de kamer vrij zijn?

  7. Lena

    Ab dem ersten Oktober. Wir melden uns bis Sonntag bei dir.Vanaf één oktober. We laten het je voor zondag weten.

Zinnen om mee te spreken

Het label zegt waar een zin thuishoort. De luidspreker ernaast leest hem voor.

  1. Ich bin Student.Ik ben student.

    A1neutraal Net als in het Nederlands geen lidwoord voor een beroep of status.

  2. Was studierst du?Wat studeer je?

    A1informeel

  3. Ich lerne Deutsch.Ik leer Duits.

    A1neutraal

  4. Wo ist Raum 204?Waar is lokaal 204?

    A1neutraal der Raum is een ruimte of lokaal, niet een raam.

  5. Ich komme aus Kanada.Ik kom uit Canada.

    A1neutraal

  6. Ich bin ein Jahr hier.Ik ben hier een jaar.

    A1neutraal

  7. Wir lernen heute zusammen.We leren vandaag samen.

    A1neutraal

  8. Mein Deutsch ist noch nicht so gut.Mijn Duits is nog niet zo goed.

    A1neutraal

  9. Wann ist die Sprechstunde von Professor Wagner?Wanneer is het spreekuur van professor Wagner?

    A2neutraal Sprechstunde is de tijd die een docent vrijhoudt voor vragen van studenten.

  10. Ich muss mich noch für die Prüfung anmelden.Ik moet me nog voor het tentamen inschrijven.

    A2neutraal sich anmelden für is wederkerend en neemt für, zoals “zich inschrijven voor”.

  11. Kann ich mir kurz deine Mitschrift ausleihen?Mag ik even je aantekeningen lenen?

    A2informeel

  12. Die Abgabefrist ist am 15. März.De inleverdatum is 15 maart.

    A2neutraal

  13. Ich wohne in einer WG mit drei anderen Studierenden.Ik woon in een studentenhuis met drie andere studenten.

    A2neutraal WG (Wohngemeinschaft) is een gedeelde woning — de gewone manier om als student te wonen.

  14. Ich studiere an der Universität in Leipzig.Ik studeer aan de universiteit in Leipzig.

    A2neutraal

  15. Mein Lieblingsfach ist Chemie.Mijn lievelingsvak is scheikunde.

    A2neutraal

  16. Morgen habe ich eine Prüfung in Statistik.Morgen heb ik een tentamen statistiek.

    A2neutraal

  17. Ich habe eine gute Note bekommen!Ik heb een goed cijfer gekregen!

    A2neutraal In Duitsland is een 1 het beste cijfer en een 5 of 6 onvoldoende — andersom dan in Nederland en België.

  18. Treffen wir uns in der Bibliothek?Spreken we af in de bibliotheek?

    A2informeel

  19. Ich studiere Maschinenbau im dritten Semester.Ik zit in het derde semester werktuigbouwkunde.

    B1neutraal

  20. Die Vorlesung fällt heute aus.Het college gaat vandaag niet door.

    B1neutraal ausfallen is scheidbaar: aus gaat naar het eind van de zin.

  21. Gehen wir nach der Übung in die Mensa?Gaan we na het werkcollege naar de mensa?

    B1informeel De Mensa is de universiteitskantine.

  22. Ich schreibe gerade meine Hausarbeit über Migration.Ik schrijf op dit moment mijn werkstuk over migratie.

    B1neutraal

  23. Sehr geehrter Herr Professor Wagner, ich habe eine Frage zur Hausarbeit.Geachte professor Wagner, ik heb een vraag over het werkstuk.

    B1formeel

  24. Welchen Kurs belegst du dieses Semester?Welk vak volg je dit semester?

    B1neutraal Een vak belegt je — het gewone werkwoord voor je inschrijven.

  25. Ich habe die Prüfung leider nicht bestanden.Ik ben helaas niet geslaagd voor het tentamen.

    B1neutraal Let op: “ik ben geslaagd” is ich habe bestanden, met haben.

  26. Wenn ich durchfalle, kann ich die Prüfung wiederholen.Als ik zak, kan ik het tentamen herkansen.

    B1neutraal

  27. Im Seminar müssen alle ein Referat halten.In de werkgroep moet iedereen een presentatie geven.

    B1neutraal Een Referat is een presentatie, geen referaat in de Nederlandse zin.

  28. Ich muss bis Freitag noch viel lernen, um die Prüfung zu bestehen.Ik moet tot vrijdag nog veel leren om voor het tentamen te slagen.

    B1neutraal

  29. Kannst du mir erklären, was der Dozent gemeint hat?Kun je me uitleggen wat de docent bedoelde?

    B1informeel

  30. In der Prüfungszeit hat die Bibliothek länger geöffnet.In de tentamenperiode is de bibliotheek langer open.

    B1neutraal

Waar het om gaat

  • Studenten zeggen vanaf het begin du tegen elkaar; docenten spreek je aan met Sie en hun titel of achternaam: Herr Professor Wagner, Frau Dr. Keller. Dat is formeler dan aan een Nederlandse universiteit.

    duSieHerr Professor WagnerFrau Dr. Keller

  • Een Vorlesung is een hoorcollege, een Übung of Seminar een kleinere groep met opdrachten of discussie.

    VorlesungÜbungSeminar

  • Deadlines zijn streng:

    een Hausarbeit die te laat wordt ingeleverd, wordt vaak gewoon niet nagekeken.

    Hausarbeit

  • Tijden in het studieprogramma kunnen c.t. dragen — het college begint een kwartier later — of s.t., wat stipt betekent.

    c.t.s.t.

Korte quiz

Vragen over woorden en zinnen van dit terrein: 6. De woordvragen tellen in je voortgang mee zoals elke oefening.

Probeer het zelf

Lees de betekenis, zeg de zin hardop in het Duits en klap hem dan open om te vergelijken.

  1. Ik ben student.

    Ich bin Student.

  2. Mijn Duits is nog niet zo goed.

    Mein Deutsch ist noch nicht so gut.

  3. Mijn lievelingsvak is scheikunde.

    Mein Lieblingsfach ist Chemie.

  4. Ik schrijf op dit moment mijn werkstuk over migratie.

    Ich schreibe gerade meine Hausarbeit über Migration.

Verder leren

Meer terreinen

Alle zinnen op deze pagina zijn voor EveryLingua geschreven. Er staan hier geen citaten uit films, series, boeken of liedjes en geen titels of namen van artiesten — de pagina laat zien hoe men op dit terrein praat, niet wat iemand ooit gezegd heeft.