A1VerhaalDagelijks leven1 min.
Im Café
Twee vriendinnen, een regenachtige zaterdag en een bestelling aan tafel.
Beleefd bestellen. Ich möchte is de vriendelijke manier om te zeggen wat je wilt, en de ober zegt Sie, altijd met hoofdletter: Was möchten Sie trinken? Het werkwoord staat bij Sie in het meervoud — waar het Nederlands “wat wilt u” zegt.
Es ist Samstag. Ella und ihre Freundin Nora sitzen in einem kleinen Café. Draußen regnet es. Drinnen ist es warm.
Der Kellner kommt und fragt: „Was möchten Sie trinken?“ Ella möchte einen Tee mit Milch. Nora nimmt einen Kaffee und ein Glas Wasser.
„Möchten Sie auch etwas essen?“, fragt der Kellner. Ella nimmt ein Stück Torte. Nora hat keinen Hunger.
Die beiden reden lange über die Arbeit, über das Wetter und über den Urlaub im Sommer. Um vier Uhr bezahlt Ella. Das kostet zusammen elf Euro.
Klik op een woord om het op te zoeken in de woordenschat van deze site.
- Woorden
- 86
- Zinnen
- 14
- Woorden per zin
- 6,1
- in de woordenschat
- 100 %
- gemeten niveau
- A2
- Leestijd
- 1 min.
De woorden vanaf A1 in deze tekst
Niet de moeilijke woorden in het algemeen, maar die van jouw niveau: 30 van de 36 van de verschillende woorden in deze tekst (61) staan op A1 of hoger. Al het andere ken je al als je hier aankomt.
bezahlen
betalen
A1das Café
het café, de lunchroom
A1das Glas
het glas; de pot
A1das Stück
het stuk
A1das Wasser
het water
A1das Wetter
het weer
A1der Euro
de euro
A1der Kaffee
de koffie
A1der Kellner
de ober
A2der Samstag
zaterdag
A1der Sommer
de zomer
A1der Tee
de thee
A1der Urlaub
de vakantie, het verlof
A1die Arbeit
het werk
A1die Freundin
de vriendin
A1die Milch
de melk
A1die Torte
de taart
A2die Uhr
de klok, het horloge; uur
A1draußen
buiten
A1elf
elf
A1essen
eten
A1etwas
iets
A1fragen
vragen
A1klein
klein
A1kommen
komen
A1kosten
kosten
A1lang
lang
A1mögen
houden van, lusten, leuk vinden
A1nehmen
nemen
A1regnen
regenen
A1
De woordenlijsten bij deze tekst
De woorden van deze tekst staan op woordenlijsten van deze site (lijsten: 14); het getal erachter zegt hoeveel woorden uit welke lijst komen. Wie de tekst gelezen heeft, heeft net deze woorden nodig gehad – en kan precies die overhoren.
De werkwoorden van deze pagina in alle vormen: mögen · sein · nehmen · fragen · haben · kommen · sitzen · kosten
Begripsvragen
Vragen bij de tekst: 3. Bij elk antwoord verschijnt de zin waarin het staat – een vraag waarvan je het antwoord niet in de tekst terugvindt, toetst niets.
1. Wie ist das Wetter?
Draußen regnet es
2. Was trinkt Ella?
Ella möchte einen Tee mit Milch
3. Wer bezahlt?
Um vier Uhr bezahlt Ella